Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.De procedure bij en de beslissing van de rechtbank
2.De procedure bij het hof
3.De feiten
);
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De appellant exploiteerde een eenmanszaak in textielhandel die in 2023 werd gestaakt. Zijn faillissement werd uitgesproken op eigen aangifte in december 2023. De rechtbank wees het verzoek tot omzetting van het faillissement in een schuldsaneringsregeling af, omdat appellant niet te goeder trouw was ten aanzien van ontstane schulden, met name aan de Duitse belastingdienst, en te lang was doorgegaan met zijn onderneming.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn onderneming voor 2015 winstgevend was en dat de schulden aan de Duitse belastingdienst over meerdere jaren waren ontstaan. Hij verwees naar persoonlijke omstandigheden, zoals de ernstige gezondheid van zijn zoon en de coronacrisis, en voerde een beroep op de hardheidsclausule in artikel 288 lid 3 Fw Pro.
Het hof oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt te goeder trouw te zijn geweest ten aanzien van de Duitse belastingdienst, omdat hij ontvangen omzetbelasting niet had afgedragen maar elders voor gebruikte. Wel achtte het hof het verwijt van te lang doorzetten van de onderneming minder zwaar vanwege de persoonlijke omstandigheden en het feit dat slechts een klein deel van de schulden in de driejaarstermijn was ontstaan.
Het hof vond het beroep op de hardheidsclausule gegrond omdat appellant sinds juni 2023 zijn onderneming had gestaakt, fulltime in loondienst was getreden, maandelijks een bedrag aan de boedel afdroeg en zijn financiële situatie stabiel was. Daarom werd het vonnis van de rechtbank vernietigd en het faillissement opgeheven onder toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot omzetting van het faillissement in een schuldsaneringsregeling alsnog toe.