ECLI:NL:HR:2015:589

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 maart 2015
Publicatiedatum
12 maart 2015
Zaaknummer
14/05576
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Prejudiciële beslissing
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15b FwArt. 138 FwArt. 284 FwArt. 285 lid 1 FwArt. 287 lid 2 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Prejudiciële beslissing over omzetting faillissement in schuldsanering en vereisten verklaring

In deze prejudiciële beslissing beantwoordt de Hoge Raad drie vragen over de omzetting van een faillissement van een natuurlijke persoon in een schuldsaneringsregeling op grond van artikel 15b van de Faillissementswet (Fw).

De zaak betreft een verzoekster die op eigen aangifte failliet is verklaard en vervolgens de rechtbank verzocht haar faillissement op te heffen onder toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank wees dit af, waarna hoger beroep werd ingesteld en het hof prejudiciële vragen stelde aan de Hoge Raad.

De Hoge Raad overweegt dat ook bij een omzettingsverzoek het vereiste geldt dat de schuldenaar met professionele schuldhulpverlening een buitengerechtelijke schuldregeling heeft geprobeerd, zoals voorgeschreven in artikel 285 lid 1 onder Pro f Fw. Omdat een gefailleerde schuldenaar dit zelf niet kan doen, kan een schriftelijke verklaring van de curator worden toegevoegd waarin wordt vermeld dat er geen reële mogelijkheden zijn voor een buitengerechtelijke regeling.

Verder stelt de Hoge Raad dat het ontbreken van deze verklaring kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek, tenzij de schuldenaar binnen een maand alsnog de verklaring verstrekt. De Hoge Raad bevestigt hiermee de strikte toepassing van de wettelijke vereisten en de rol van de curator bij omzettingsverzoeken.

De beslissing is gewezen door de vice-president en vier raadsheren en op 13 maart 2015 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Een omzettingsverzoek moet een verklaring bevatten; bij ontbreken kan de rechtbank niet-ontvankelijkheid uitspreken na een termijn van maximaal een maand.

Uitspraak

13 maart 2015
Eerste Kamer
14/05576
TT/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Prejudiciële Beslissing
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te Enschede,
VERZOEKSTER in tweede aanleg,
niet verschenen in de prejudiciële procedure.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C08/12/667 F van de rechtbank Overijssel van 10 juni 2014;
b. de arresten in de zaak 200.150.748 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 oktober 2014 en
6 november 2014.
De arresten van het hof zijn aan deze beslissing gehecht.

2.De prejudiciële procedure

Bij laatstgenoemd arrest heeft het hof op de voet van art. 392 Rv Pro de volgende prejudiciële vragen gesteld:
1. Moet, indien een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling op de voet van art. 15b Fw wordt gedaan, voorafgaand een buitengerechtelijke schuldregeling zoals bedoeld in art. 285 lid Pro 1, aanhef en onder f en h, Fw worden beproefd, of staat de omstandigheid dat iemand in staat van faillissement is verklaard daaraan in de weg?
2. Dient een in het kader van een verzoek tot omzetting op de voet van art. 15b Fw gedaan verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te voldoen aan het vereiste van art. 285 lid Pro 1, aanhef en onder f, Fw?
3. Mag de rechter, indien, al dan niet na toepassing van art. 287 lid 2 Fw Pro, bij het verzoekschrift een verklaring zoals bedoeld in art. 285 lid Pro 1, aanhef en onder f, Fw, ontbreekt, tot inhoudelijke beoordeling en toewijzing van een omzettingsverzoek zoals bedoeld in art. 15b Fw overgaan, of is een dergelijk verzoek niet-ontvankelijk?
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot beantwoording van de prejudiciële vragen op de wijze zoals vermeld in 3.18 van die conclusie.

3.Beantwoording van de prejudiciële vragen

3.1
Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten.
(i) [verzoekster] is op 5 december 2012 op eigen aangifte failliet verklaard.
(ii) Bij beschikking van 17 december 2012 is een bewind ingesteld over de gelden en goederen die (zullen) toebehoren aan [verzoekster], met benoeming van een bewindvoerder.
3.2
[verzoekster] heeft de rechtbank verzocht haar faillissement op te heffen onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen. [verzoekster] heeft hoger beroep ingesteld.
3.3
Na partijen over het voornemen daartoe te hebben geraadpleegd, heeft het hof op de voet van art. 392 Rv Pro de hiervoor in 2 vermelde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld.
3.4.1
Omtrent de eerste twee prejudiciële vragen overweegt de Hoge Raad als volgt.
3.4.2
Een natuurlijke persoon die in staat van faillissement verkeert, kan de rechtbank in de in art. 15b lid 1 Fw voorziene gevallen verzoeken het faillissement op te heffen onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling (hierna ook: omzettingsverzoek). Deze bepaling strekt ertoe het aantal faillissementen van natuurlijke personen zoveel mogelijk terug te dringen ten gunste van de toepassing van de schuldsaneringsregeling (vgl. o.a. Kamerstukken II 1992-1993, 22 969, nr. 3, p. 6 en 31). Volgens art. 15b lid 2 Fw wordt een omzettingsverzoek ingediend door middel van een verzoekschrift als bedoeld in art. 284 Fw Pro. Op het omzettingsverzoek zijn de bepalingen over de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van titel III van de Faillissementswet van toepassing (Kamerstukken II 1992-1993, 22 969, nr. 3,
p. 31).
3.4.3
Volgens art. 284 lid 1 Fw Pro kan een natuurlijke persoon verzoeken de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken indien redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Het verzoek dient volgens art. 285 lid Pro 1, aanhef en onder f, Fw vergezeld te gaan van een met redenen omklede verklaring waarin is vermeld dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, alsmede over welke aflossingsmogelijkheden de verzoeker beschikt. De verklaring dient te zijn afgegeven door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van de woon- of verblijfplaats van de schuldenaar; het college kan deze bevoegdheid mandateren aan een gemeentelijke kredietbank als bedoeld in de Wet financiële dienstverlening of aan krachtens art. 48 lid Pro 1, aanhef en onder d, van de Wet op het consumentenkrediet (hierna: Wck) aangewezen personen. Met deze eis is beoogd te bewerkstelligen dat professionele schuldhulpverlening plaatsvindt voordat een beroep op de schuldsaneringsregeling kan worden gedaan (Kamerstukken II 1996-1997, 22 969, nr. 133a). Is de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling gedaan door een persoon of instelling als bedoeld in art. 48 lid Pro 1, aanhef en onder c, Wck, dan kan de verklaring door die persoon of instelling worden afgegeven (HR 5 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8056, NJ 2011/31).
3.4.4
Bij de parlementaire behandeling van de aanpassing van de schuldsaneringsregeling per 1 januari 2008 is opgemerkt dat de vereisten die gelden voor de toelating tot de schuldsaneringsregeling, mede tot doel hebben de schuldenaar te dwingen tot het uiterste te gaan om een minnelijke regeling te bereiken en de schuldsaneringsregeling te laten functioneren als laatste redmiddel (Kamerstukken II 2004-2005, 29 942, nr. 3, p. 4-5). In verband hiermee is thans in art. 288 lid Pro 2, aanhef en onder b, Fw bepaald dat een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen indien de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in art. 48 lid 1 Wck Pro.
3.4.5
Op grond van hetgeen hiervoor in 3.4.2-3.4.4 is vermeld, moet worden aangenomen dat ook voor een omzettingsverzoek het vereiste geldt dat de schuldenaar met behulp van professionele schuldhulpverlening heeft geprobeerd een buitengerechtelijke schuldregeling te treffen. De gefailleerde schuldenaar die een omzettingsverzoek wil doen, is echter zelf als gevolg van het faillissement niet meer in staat een buitengerechtelijke schuldregeling te beproeven. Een redelijke wetstoepassing brengt dan mee dat wordt aanvaard dat bij een omzettingsverzoek een schriftelijke verklaring van de curator kan worden gevoegd, waarin is vermeld dat de curator heeft onderzocht of de gefailleerde aan zijn gezamenlijke schuldeisers een akkoord in de zin van art. 138 Fw Pro kan aanbieden en dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen.
3.4.6
Op grond van het voorgaande luidt het antwoord op de tweede prejudiciële vraag dat een verzoek tot omzetting van een faillissement in een schuldsaneringsregeling op de voet van art. 15b Fw, dient te voldoen aan de eis van art. 285 lid Pro 1, aanhef en onder f, Fw; het antwoord op de eerste prejudiciële vraag luidt dat aan deze eis kan worden voldaan door bij het omzettingsverzoek een verklaring van de curator te voegen als hiervoor in 3.4.5 bedoeld.
3.5.1
De derde prejudiciële vraag stelt aan de orde welke gevolgen moeten worden verbonden aan het ontbreken van een verklaring in de zin van art. 285 lid Pro 1, aanhef en onder f, Fw bij een omzettingsverzoek.
3.5.2
De rechtbank kan aan de schuldenaar die een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling indient zonder verklaring in de zin van art. 285 lid Pro 1, aanhef en onder f, Fw, een termijn van ten hoogste een maand gunnen om die verklaring alsnog te verstrekken. Wordt het verzuim niet tijdig hersteld, of ziet de rechtbank geen aanleiding verzoeker daartoe in staat te stellen, dan wordt de schuldenaar niet-ontvankelijk verklaard (art. 287 lid 2 Fw Pro). Hetzelfde geldt in geval van een omzettingsverzoek in de zin van art. 15b Fw.
3.5.3
Het antwoord op de derde prejudiciële vraag luidt dan ook dat de rechtbank die constateert dat bij een omzettingsverzoek niet een verklaring als bedoeld in art. 285 lid Pro 1, aanhef en onder f, Fw is gevoegd, de gefailleerde een termijn van ten hoogste een maand kan stellen om dat alsnog te doen, en de gefailleerde niet-ontvankelijk dient te verklaren in het verzoek als de verklaring niet wordt verstrekt.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
beantwoordt de prejudiciële vragen zoals hiervoor in 3.4.6 en 3.5.3 vermeld;
begroot de kosten van deze procedure op de voet van art. 393 lid 10 Rv Pro op nihil aan de zijde van [verzoekster].
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.E. Drion, G. Snijders en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
13 maart 2015.