Uitspraak
wonende te Enschede,
1.Het geding in feitelijke instanties
6 november 2014.
2.De prejudiciële procedure
3.Beantwoording van de prejudiciële vragen
p. 31).
4.Beslissing
13 maart 2015.
Hoge Raad
In deze prejudiciële beslissing beantwoordt de Hoge Raad drie vragen over de omzetting van een faillissement van een natuurlijke persoon in een schuldsaneringsregeling op grond van artikel 15b van de Faillissementswet (Fw).
De zaak betreft een verzoekster die op eigen aangifte failliet is verklaard en vervolgens de rechtbank verzocht haar faillissement op te heffen onder toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank wees dit af, waarna hoger beroep werd ingesteld en het hof prejudiciële vragen stelde aan de Hoge Raad.
De Hoge Raad overweegt dat ook bij een omzettingsverzoek het vereiste geldt dat de schuldenaar met professionele schuldhulpverlening een buitengerechtelijke schuldregeling heeft geprobeerd, zoals voorgeschreven in artikel 285 lid 1 onder Pro f Fw. Omdat een gefailleerde schuldenaar dit zelf niet kan doen, kan een schriftelijke verklaring van de curator worden toegevoegd waarin wordt vermeld dat er geen reële mogelijkheden zijn voor een buitengerechtelijke regeling.
Verder stelt de Hoge Raad dat het ontbreken van deze verklaring kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek, tenzij de schuldenaar binnen een maand alsnog de verklaring verstrekt. De Hoge Raad bevestigt hiermee de strikte toepassing van de wettelijke vereisten en de rol van de curator bij omzettingsverzoeken.
De beslissing is gewezen door de vice-president en vier raadsheren en op 13 maart 2015 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Een omzettingsverzoek moet een verklaring bevatten; bij ontbreken kan de rechtbank niet-ontvankelijkheid uitspreken na een termijn van maximaal een maand.