ECLI:NL:GHARL:2025:2918

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 mei 2025
Publicatiedatum
12 mei 2025
Zaaknummer
Wahv 200.339.880/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 11 WahvArt. 1 Regeling gehandicaptenparkeerkaartBesluit OM-afdoeningBesluit van 26 januari 2023 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie voor handelen in strijd met geslotenverklaring zonder geldige gehandicaptenparkeerkaart als bestuurder

De betrokkene werd gesanctioneerd voor het rijden in een geslotenverklaring met een voertuig, terwijl hij geen geldige gehandicaptenparkeerkaart als bestuurder bezat. De kantonrechter wees het beroep af, maar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde anders in hoger beroep.

De betrokkene voerde aan dat hij een gehandicaptenparkeerkaart bezat en dat een uitzondering op de geslotenverklaring van toepassing was. Echter was de kaart alleen geldig als de kaarthouder zelf de bestuurder was, wat hier niet het geval was. De kaart was op naam van een ander en betrokkene was de bestuurder.

Het hof stelde vast dat de gedraging wel had plaatsgevonden en dat de sanctie terecht was, maar paste het sanctiebedrag aan naar het meest gunstige tarief dat gold op het moment van de overtreding. Tevens matigde het hof de sanctie met 25% wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg.

Daarnaast veroordeelde het hof de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene. Het arrest vernietigt de eerdere beslissing en wijzigt het sanctiebedrag naar € 75,-.

Uitkomst: Het gerechtshof vernietigt de eerdere beslissing en wijzigt de sanctie naar € 75,- wegens ontbreken geldige gehandicaptenparkeerkaart als bestuurder.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.339.880/01
CJIB-nummer
: 243938688
Uitspraak d.d.
: 12 mei 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank NoordNederland van 23 januari 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter ten onrechte de aanvullende beroepsgronden die op 14 september 2023 zijn ingediend, niet heeft beoordeeld en verzoekt het hof alsnog in te gaan op deze gronden.
2. Het hof zal deze in hoger beroep alsnog overgelegde gronden beoordelen.
3. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor feitcode R550b: “handelen in strijd met geslotenverklaring in beide richtingen, weg(gedeelte) bestemd voor bepaalde categorie voertuigen”. Deze gedraging zou zijn verricht op 14 augustus 2021 om 14:23 uur op de Markt in Hoogeveen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
4. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene de gedraging ontkent. De betrokkene is in het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart en daarvoor was een uitzondering gemaakt op het onderbord. De betrokkene was zijn kaart vergeten, maar deze kaart is in administratief beroep alsnog overgelegd. Van handelen in strijd met een geslotenverklaring is geen sprake. Op het onderbord staat niet dat de gehandicaptenparkeerkaart zichtbaar in het voertuig aanwezig moet zijn. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat de feitcode voor de onderhavige gedraging met ingang van 1 maart 2023 niet meer bestaat. De meest gunstige regelgeving dient te worden toegepast en daarom dient het sanctiebedrag gematigd te worden tot nihil.
5. Uit het dossier blijkt dat ter plaatse sprake was van een geslotenverklaring, aangegeven met een bord C1. Dit bord bevat een onderbord met de tekst ‘uitgezonderd winkelbevoorradend verkeer’ en (onder andere) een blauw vierkant met een afbeelding van een rolstoel. Na dit bord bevindt zich – naast de rijbaan – een aantal gehandicaptenparkeerplaatsen.
6. Het bord -voor zover hier van belang- dient zo begrepen te worden dat van de geslotenverklaring is uitgezonderd verkeer dat gebruik mag maken van de achter het bord gelegen gehandicaptenparkeerplaatsen. Hieruit volgt dat om de geslotenverklaring te mogen betreden men dient te beschikken over een (geldige) gehandicaptenparkeerkaart.
7. De gemachtigde heeft een kopie van een gehandicaptenparkeerkaart overgelegd, die op naam staat van [naam1] , waarop bij ‘kaarttype’ een ‘B’ is vermeld. Een dergelijke kaart is, gelet op artikel 1, tweede lid, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart slechts geldig in geval degene aan wie die kaart is afgegeven
als bestuurdervan een voertuig - in dit geval - de geslotenverklaring inrijdt. Uit het dossier volgt dat niet de kaarthouder, maar de betrokkene de bestuurder was die de geslotenverklaring is ingereden. Er was geen sprake van een (voor de betrokkene) geldige gehandicaptenparkeerkaart. Hem komt, in het midden latend of de gehandicaptenparkeerkaart (zichtbaar) in het voertuig aanwezig had moeten zijn, geen beroep toe op de uitzondering op de geslotenverklaring. Dat de betrokkene zelf in het bezit is van een gehandicaptenparkeerkaart is niet aannemelijk gemaakt. Vastgesteld kan worden dat de gedraging is verricht.
8. Op 1 maart 2023 is het Besluit van 26 januari 2023 tot wijziging van de bijlage, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv en het Besluit OM-afdoening in verband met onder meer de jaarlijkse indexering van de tarieven (het Besluit) in werking is getreden (Staatsblad 2023, 53). Hierin is met betrekking tot de onderhavige feitcode, feitcode R550b, bepaald dat deze wegens inconsistent gebruik is afgesloten en dat voor de gedraging zoals omschreven in deze feitcode eveneens kan worden geverbaliseerd voor de meer generiek omschreven gedraging zoals opgenomen in feitcode R550a.
9. Tot vernietiging van de inleidende beschikking of wijziging van de feitcode behoeft dit niet te leiden, nu feitcode R550b ten tijde van de gedraging nog in gebruik was. Dit brengt echter wel mee dat, in aansluiting op rechtsoverweging 119 van het Scoppola-arrest (EHRM, 17 september 2009 (Scoppola tegen Italië), nr. 10249/03), het meest gunstige tarief toegepast dient te worden dat tussen de dag van de gedraging en de dag waarop het hof uitspraak doet, heeft gegolden. Het hof zal het sanctiebedrag daarom vaststellen op het ten tijde van de gedraging voor feitcode R550a geldende tarief van € 100,- (vgl. het arrest van het hof van 9 juni 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4869).
10. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie (verder) matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
11. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De verlaging van het sanctiebedrag is gelegen in een na de oplegging van de sanctie in werking getreden verlaging van het sanctietarief door de regelgever en voorts in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg en betreft niet een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1012). De proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
12. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het hoger beroepschrift en de nadere toelichting dienen in totaal 2,5 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Het hof past op de in hoger beroep verrichte proceshandelingen niet de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) toe, omdat het hof deze bepaling buiten toepassing laat (vgl. de arresten van het hof van 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7764, 7768 en 7769). Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.133,75 (= (2,5 x € 907,- x 0,5)).
13. Het hof zal beslissen als hierna vermeld.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het sanctiebedrag wordt gewijzigd in € 75,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.133,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.