De zaak betreft een geschil over de zorgregeling voor drie minderjarige kinderen, waarbij de moeder en vader gezamenlijk gezag hebben. De kinderen zijn onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling (GI) vanwege zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder, waaronder mogelijke middelengebruik en psychische problemen.
De kinderrechter had de zorgregeling gewijzigd naar contact onder begeleiding bij de moeder, wat de moeder betwistte en in hoger beroep ging. Het hof constateert dat de moeder aanzienlijke positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt, zoals het succesvol afronden van urinecontroles, verbetering van de woonsituatie en het starten van werk en schuldhulpverlening.
Gezien deze ontwikkelingen en de wens van de kinderen om terug te keren naar co-ouderschap, besluit het hof de zorgregeling uit te breiden met een overnachting bij de moeder eens per drie weken. De GI houdt de regie en de regeling wordt flexibel uitgevoerd met het oog op verdere uitbreiding. De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd voor zover de zorgregeling is gewijzigd en het hof stelt de nieuwe regeling vast.