De minderjarige, geboren in 2017, is sinds februari 2020 onder toezicht gesteld en woont sindsdien bij haar pleegouders, haar oma en stiefopa. De moeder oefende tot de beschikking het gezag uit, maar het kind verblijft al geruime tijd niet bij haar. De rechtbank heeft het gezag van de moeder beëindigd en de gecertificeerde instelling tot voogd benoemd.
De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissing en verzocht om het gezag samen met de pleegmoeder te mogen uitoefenen of het verzoek tot beëindiging af te wijzen. Zij stelde dat zij haar gezag niet had misbruikt en dat het belang van het kind gediend is met het behoud van haar gezag, mede omdat de contacten tussen haar en het kind ontspannen zijn.
De raad voor de kinderbescherming betoogde dat het gezag van de moeder terecht is beëindigd omdat het perspectief van het kind bij de pleegouders ligt en de moeder onvoldoende kan bieden. Het hof oordeelde dat de rechtbank terecht het gezag heeft beëindigd omdat de aanvaardbare termijn voor terugkeer is verstreken en het belang van het kind voorop staat. Ook het broze contact tussen moeder en pleegmoeder leidt tot een loyaliteitsconflict bij het kind, waardoor gezamenlijk gezag niet in het belang is.
Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en bevestigt de voogdij van de gecertificeerde instelling over de minderjarige.