ECLI:NL:GHARL:2025:4024

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 juli 2025
Publicatiedatum
1 juli 2025
Zaaknummer
200.350.128
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArtikel 3 Verdrag inzake de rechten van het kindArtikel 20 Verdrag inzake de rechten van het kind
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hof bekrachtigt beëindiging gezag moeder over minderjarige in belang van kind

De minderjarige, geboren in 2017, is sinds februari 2020 onder toezicht gesteld en woont sindsdien bij haar pleegouders, haar oma en stiefopa. De moeder oefende tot de beschikking het gezag uit, maar het kind verblijft al geruime tijd niet bij haar. De rechtbank heeft het gezag van de moeder beëindigd en de gecertificeerde instelling tot voogd benoemd.

De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissing en verzocht om het gezag samen met de pleegmoeder te mogen uitoefenen of het verzoek tot beëindiging af te wijzen. Zij stelde dat zij haar gezag niet had misbruikt en dat het belang van het kind gediend is met het behoud van haar gezag, mede omdat de contacten tussen haar en het kind ontspannen zijn.

De raad voor de kinderbescherming betoogde dat het gezag van de moeder terecht is beëindigd omdat het perspectief van het kind bij de pleegouders ligt en de moeder onvoldoende kan bieden. Het hof oordeelde dat de rechtbank terecht het gezag heeft beëindigd omdat de aanvaardbare termijn voor terugkeer is verstreken en het belang van het kind voorop staat. Ook het broze contact tussen moeder en pleegmoeder leidt tot een loyaliteitsconflict bij het kind, waardoor gezamenlijk gezag niet in het belang is.

Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en bevestigt de voogdij van de gecertificeerde instelling over de minderjarige.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezag van de moeder over de minderjarige en benoemt de gecertificeerde instelling tot voogd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
zaaknummer gerechtshof 200.350.128
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 576458
beschikking van 1 juli 2025
over de beëindiging van het gezag over [de minderjarige]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. J.J. Stobbe
en
raad voor de kinderbescherming(de raad)
die is gevestigd in Utrecht
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering(de GI)
die is gevestigd in Amsterdam
en
[de pleegouders](de pleegouders)
die wonen in [woonplaats2]

1.Samenvatting

De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft het gezag van de moeder over de hierna te noemen minderjarige [de minderjarige] beëindigd.
Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
[de minderjarige] is geboren [in] 2017. Tot de bestreden beschikking oefende de moeder alleen het gezag uit over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] is op 26 februari 2020 onder toezicht gesteld. Deze maatregel is daarna
steeds verlengd, voor het laatst tot 26 februari 2025.
2.3.
[de minderjarige] woont haar hele leven bij de pleegouders. Dat zijn haar oma (moederszijde) en (stief)opa. De pleegouders hebben naast de moeder nog vier kinderen. Drie van hen wonen bij de pleegouders in huis. Sinds 26 februari 2020 verblijft [de minderjarige] met een machtiging tot uithuisplaatsing bij de pleegouders. Bij beschikking van 23 februari 2024 is die machtiging voor het laatst verlengd tot 26 februari 2025.
2.4.
Tot januari 2019 woonde ook de moeder bij de pleegouders. Daarna is de moeder elders gaan wonen. Sinds augustus 2019 heeft de moeder een partner. Zij woont nu met hem samen.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van de moeder over [de minderjarige] te beëindigen en de GI tot voogd te benoemen.
3.2.
De moeder heeft in eerste aanleg gevraagd om samen met de pleegmoeder het gezag over [de minderjarige] uit te mogen oefenen of anders het verzoek van de raad tot beëindiging van haar gezag af te wijzen.
3.3.
De pleegmoeder kon zich vinden in het verzoek van de raad.
3.4.
De rechtbank heeft het verzoek van de raad toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 17 oktober 2024.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. De moeder wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt.
4.2.
De raad wil dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ingekomen op 16 januari 2025
  • een brief van de raad van 18 juni 2025.
4.4.
[de minderjarige] is uitgenodigd te vertellen wat zij vindt van de beëindiging van het gezag van de moeder. Haar voogd heeft op 30 april 2025 bericht dat [de minderjarige] niet komt.
4.5.
De zitting bij het hof was op 24 juni 2025. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat
  • een vertegenwoordiger van de raad
  • een vertegenwoordiger van de GI.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. De rechtbank kan het gezag van een ouder ook beëindigen als de ouder het gezag misbruikt. [1]
5.2.
Het belang van het kind staat voorop. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen. [2]
Wat vinden de moeder en de raad?
5.3.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. De moeder vindt dat er redenen kunnen zijn om het gezag niet te beëindigen, ook als aan de wettelijke vereisten voor de gezagsbeëindiging is voldaan. Er dient een zorgvuldige belangenafweging te worden gemaakt of de ondertoezichtstelling en machtiging en uithuisplaatsing kunnen voortleven dan wel dat kan worden volstaan met een vrijwillige uithuisplaatsing. De moeder heeft altijd toestemming gegeven voor te nemen gezagsbeslissingen en haar gezag dus niet misbruikt. Als voor [de minderjarige] duidelijk is dat zij bij haar pleegouders kan blijven wonen hoeft haar gezag volgens de moeder niet te worden beëindigd. De moeder kan ook naar [de minderjarige] uitdragen dat zij bij de pleegouders mag blijven wonen. De moeder stelt hiermee het belang van [de minderjarige] voorop. Er zijn al veel verschillende hulpverleners bij [de minderjarige] betrokken geweest, maar de moeder is de enige constante factor in het leven van [de minderjarige] . Daarbij komt dat de contacten tussen de moeder en [de minderjarige] ontspannen verlopen.
5.4.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd. De raad vindt dat het gezag van de moeder over [de minderjarige] beëindigd moet blijven. [de minderjarige] verblijft volgens de raad in een complexe situatie. Uit het NIFP-rapport van enkele jaren geleden blijkt ook heel duidelijk dat het perspectief van [de minderjarige] bij de pleegouders ligt en de raad is het daar mee eens. [de minderjarige] heeft ook meer nodig van haar opvoeders dan de moeder haar kan bieden. Er moet volgens de raad duidelijkheid komen over het perspectief van [de minderjarige] , want anders zal [de minderjarige] jaarlijks worden geconfronteerd met verlengingen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. Het vrijwillig kader is volgens de raad geen optie, omdat de verhouding tussen de moeder en pleegouders wisselvallig en dus niet duidelijk voor [de minderjarige] is. Daarbij komt dat [de minderjarige] een complex meisje is en dat zij daarom nog meer duidelijkheid nodig heeft dan andere kinderen.
Hoe oordeelt het hof?
5.5.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank het gezag van de moeder terecht heeft beëindigd en dat de GI tot voogd is benoemd en het gezag over [de minderjarige] heeft. Het hof is het ook eens met de overwegingen van de rechtbank en neemt deze na eigen onderzoek over.
Duidelijk is dat het perspectief van [de minderjarige] bij de pleegouders ligt, omdat de aanvaardbare termijn voor [de minderjarige] om terug te keren bij de moeder inmiddels is verstreken. Daarmee is voldaan aan het wettelijk criterium om het gezag van de moeder te beëindigen. De door de moeder aangevoerde argumenten om haar gezag in stand te laten wegen onvoldoende zwaar . Voor [de minderjarige] is het van belang te weten waar zij zal opgroeien, dat dit perspectief niet kan worden aangetast en dat beslissingen over haar niet door haar moeder zullen worden genomen. Daarnaast neemt het hof in aanmerking dat in de stukken is te lezen en ook tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat het contact tussen de moeder en de pleegmoeder (oma) broos is, waardoor het loyaliteitsconflict van [de minderjarige] in stand blijft. Ook om deze reden is gezamenlijk gezag met oma niet in het belang van [de minderjarige] en is het nodig dat het gezag van de moeder wordt beëindigd.
5.6.
Dit betekent dat de beslissing van de rechtbank in stand zal blijven (worden bekrachtigd).

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 oktober 2024.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, S. Kuijpers en E.H. Schijven-Bours, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2025.

Voetnoten

1.artikel 1:266 lid 1 onder Pro a en b BW
2.Artikel 3 en Pro artikel 20 Verdrag Pro inzake de rechten van het kind