De zaak betreft een geschil tussen de vader en moeder van een minderjarige over het beheer van een spaarrekening op naam van het kind. De vader was beheerder en had geld opgenomen van deze rekening, wat door de moeder werd betwist.
De kantonrechter had de vader veroordeeld tot terugbetaling van €4.400,50, een beschikking die de vader in hoger beroep aanvocht. Het hof bevestigt dat de vader en moeder gezamenlijk het bewind over het vermogen van het kind voeren en dat zij dit als goede bewindvoerders moeten doen.
Het hof stelt vast dat de vader het opgenomen bedrag niet uit eigen middelen heeft voldaan, maar uit het vermogen van het kind, wat niet is toegestaan. Ook het argument dat het geld werd gebruikt voor verzorgingskosten van het kind en huishoudkosten wordt verworpen, mede omdat partijen sinds april 2020 niet meer samenwonen.
Het hof vernietigt het eerdere vonnis en bepaalt dat de vader binnen veertien dagen het bedrag van €4.400,50 moet terugstorten op de spaarrekening van de minderjarige. De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd, zodat elke partij haar eigen kosten draagt.