Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2025:4135

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 juli 2025
Publicatiedatum
7 juli 2025
Zaaknummer
200.352.244/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253i BWArt. 1:253j BWArt. 1:253a BWArt. 1:392 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vader moet opgenomen gelden van spaarrekening minderjarige terugbetalen

De zaak betreft een geschil tussen de vader en moeder van een minderjarige over het beheer van een spaarrekening op naam van het kind. De vader was beheerder en had geld opgenomen van deze rekening, wat door de moeder werd betwist.

De kantonrechter had de vader veroordeeld tot terugbetaling van €4.400,50, een beschikking die de vader in hoger beroep aanvocht. Het hof bevestigt dat de vader en moeder gezamenlijk het bewind over het vermogen van het kind voeren en dat zij dit als goede bewindvoerders moeten doen.

Het hof stelt vast dat de vader het opgenomen bedrag niet uit eigen middelen heeft voldaan, maar uit het vermogen van het kind, wat niet is toegestaan. Ook het argument dat het geld werd gebruikt voor verzorgingskosten van het kind en huishoudkosten wordt verworpen, mede omdat partijen sinds april 2020 niet meer samenwonen.

Het hof vernietigt het eerdere vonnis en bepaalt dat de vader binnen veertien dagen het bedrag van €4.400,50 moet terugstorten op de spaarrekening van de minderjarige. De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd, zodat elke partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De vader is veroordeeld tot terugbetaling van €4.400,50 aan de spaarrekening van zijn minderjarige dochter.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.352.244/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel 11129649)
beschikking van 1 juli 2025
in de zaak van
[verzoeker](de man),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. M. Metin te Arnhem,
en
[verweerster](de vrouw),
die woont in [woonplaats1] ,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. M. van der Burg te Zwolle.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 19 september 2024, zoals hersteld bij beschikking van 22 oktober 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De man heeft bij exploot van 13 december 2024 aangezegd van voormelde (herstelde) beschikking in hoger beroep te komen, met dagvaarding van de vrouw voor dit hof.
2.2
De zaak is bij het hof geïntroduceerd op 14 januari 2025. De vrouw is op de eerste dienende dag verschenen.
2.3
Bij rolbeschikking van 25 februari 2025 heeft de rolraadsheer de zaak verwezen naar de kamer voor familiezaken en bepaald dat de procedure verder volgens de regels van de verzoekschriftprocedure in hoger beroep zal worden voorgezet. Daarbij is het exploot van
13 december 2024 aangemerkt als het tijdig ingediende verzoekschrift in hoger beroep.
2.4
Het hof heeft nadien de volgende stukken ontvangen:
- een journaalbericht van de man van 26 maart 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift.

3.De feiten

3.1
Uit de affectieve relatie die tot en met april 2020 tussen de man en de vrouw heeft bestaan is [in] 2017 geboren [de minderjarige] . De man en de vrouw oefenen samen het gezag over [de minderjarige] uit. [de minderjarige] woont bij de vrouw.
3.2
De vrouw heeft de kantonrechter bij verzoekschrift op 21 mei 2024 verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man binnen drie dagen na betekening van de te geven beschikking een bedrag van € 4.400,50 + PM dient te storten op een bankrekeningnummer ten name van de vrouw. De man heeft daartegen verweer gevoerd.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – bestreden (herstelde) beschikking heeft de kantonrechter, voor zover van belang, de man veroordeeld om binnen veertien dagen na de datum van die beschikking een bedrag van € 4.400,50 te storten op een bankrekeningnummer van de vrouw.
4.2
De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof de (herstelde) bestreden beschikking te vernietigen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en opnieuw beschikkende de verzoeken van de vrouw alsnog af te wijzen, dan wel de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, onder veroordeling van de vrouw in proceskosten.
4.3
De vrouw voert verweer en verzoekt het hof om bij beschikking het verzoek van de man af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Artikel 1:253i van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de ouders ingeval van gezamenlijke gezagsuitoefening gezamenlijk het bewind voeren over het vermogen van het kind. De ouders of een ouder moeten op grond van artikel 1:253j BW het bewind over het vermogen van hun kind als goede bewindvoerders voeren.
5.2
Op een geschil dat voortvloeit uit artikel 1:253i BW is op grond van het tweede lid van dat artikel de geschillenregeling van artikel 1:253a BW van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van “de rechtbank” wordt gelezen “de kantonrechter”. De procedure is dan ook op goede gronden ingeleid met een verzoekschrift en de kantonrechter heeft op goede gronden een beschikking gegeven. Het hof zal na de doorverwijzing bij rolbeschikking van 25 februari 2025 eveneens een beschikking geven. Op grond van artikel 1:253a BW neemt het hof een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
5.3
Vast staat dat de man en de vrouw in 2017 een spaarrekening hebben geopend op naam van [de minderjarige] . De man was beheerder van deze spaarrekening en had als enige toegang daartoe. In 2023 is de spaarrekening opgeheven. De vaststelling door de kantonrechter dat de man daarbij in ieder geval een bedrag van € 4.400,50 heeft opgenomen, is door de man in hoger beroep niet bestreden. De man stelt echter dat hij dat geld heeft gebruikt om in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te voorzien en dat hij daarom niet gehouden is het bedrag terug te betalen.
5.4
Het hof stelt voorop dat [de minderjarige] de rechthebbende is van het saldo dat op de spaarrekening stond. De spaarrekening stond immers op haar naam. Wel is het zo dat de man en de vrouw, op grond van artikel 1:253i BW, gezamenlijk het bewind over deze spaarrekening voerden. Dat bewind moesten zij op grond van artikel 1:253j BW als goede bewindvoerders voeren. Het hof is van oordeel dat de man door geld op te nemen van de spaarrekening van [de minderjarige] om de kosten van haar verzorging en opvoeding te voldoen, niet als een goede bewindvoerder heeft gehandeld. Op grond van artikel 1:392 BW Pro zijn de ouders verplicht tot het verstrekken van levensonderhoud aan hun kinderen. Dat moet vanuit hun eigen inkomsten of vermogen worden gedaan en niet vanuit het vermogen van het kind. De man heeft op vragen van het hof ter zitting geantwoord dat hij de opgenomen gelden ook heeft gebruikt om kosten van de huishouding van partijen te voldoen. Vast staat echter dat partijen al sinds april 2020 niet meer samenwonen, terwijl de opnames van de spaarrekening van [de minderjarige] daarna hebben plaatsgevonden. Ook als wel vast zou komen te staan dat de gelden daarvoor zouden zijn gebruikt, is daarmee door de man niet op goede wijze uitvoering gegeven aan het bewind over de spaarrekening van [de minderjarige] . Het is immers niet de bedoeling dat kosten van de huishouding van partijen met spaargeld van [de minderjarige] worden voldaan.
5.5
Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat het bedrag dat de man van haar spaarrekening heeft opgenomen weer terugkomt bij [de minderjarige] . Voor zover de man ter zitting bij het hof heeft betoogd dat op het terug te betalen bedrag een correctie moet worden toegepast, stelt het hof vast dat hij op dat punt geen grief heeft opgeworpen en dat dit op grond van de twee-conclusie regel niet voor het eerst ter zitting in hoger beroep kan worden gedaan. Het hof laat dat daarom verder onbesproken. Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de man het terug te betalen bedrag mag storten op de spaarrekening van [de minderjarige] , die de vrouw voor haar geopend heeft en waarover de vrouw het beheer heeft. Het hof zal daarom bepalen dat de man een bedrag van € 4.400,50 dient terug te storten op de spaarrekening van [de minderjarige] . Daarmee komt het hof niet meer toe aan een bespreking van de tweede grief, waarin de man heeft betoogd dat hij niet gehouden is om het bedrag terug te betalen op een bankrekening ten name van de vrouw.
5.6
Vanwege de aard van de zaak zal het hof de kosten van de procedure in hoger beroep compenseren, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
5.7
Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 19 september 2024, zoals hersteld bij beschikking van 22 oktober 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking een bedrag van € 4.400,50 dient te storten op rekeningnummer [nummer1] ten name van [de minderjarige] ;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.P. de Jong-de Goede, I.A. Vermeulen en
M. Kemmers, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is op 1 juli 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.