De zaak betreft het hoger beroep tegen de uitspraak van de kantonrechter die het ontslag op staande voet van een agrarisch medewerkster ongeldig heeft verklaard. De medewerkster had een affectieve relatie met de directeur van het familiebedrijf, welke relatie eindigde waarna zij op staande voet werd ontslagen. De kantonrechter kende haar een transitievergoeding, een vergoeding voor onregelmatig ontslag en een billijke vergoeding toe, evenals de cao-toeslag voor werk op zon- en feestdagen.
In hoger beroep betwist de werkgever de toekenning van de billijke vergoeding en de cao-toeslag. Het hof oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, omdat de opgegeven redenen onvoldoende zijn en niet voldoen aan het mededelingsvereiste. Het hof bevestigt dat de billijke vergoeding terecht is toegekend, mede vanwege het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever en de vermenging van privé- en arbeidsrelatie.
Verder wijst het hof de cao-toeslag toe, maar vernietigt de toekenning van vakantietoeslag over deze toeslag. De kosten van het hoger beroep worden door partijen zelf gedragen. Het hof bekrachtigt de overige onderdelen van het vonnis van de kantonrechter.