De vader is in hoger beroep gegaan tegen de beslissing van de kinderrechter om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van zijn minderjarige kind te verlengen tot 11 september 2025. De moeder heeft het gezag over het kind en de vader heeft dit niet. De kinderrechter had de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing meerdere malen verlengd en het kind verbleef sinds februari 2024 in verschillende opvanglocaties en tijdelijk bij de vader.
Het hof overweegt dat de vader geen belanghebbende is in deze procedure omdat hij geen gezag heeft en de rechten en verplichtingen van de vader niet rechtstreeks worden geraakt door de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Ook is niet gebleken dat de verlenging van deze maatregelen zou leiden tot een ongeoorloofde inmenging in het family life tussen vader en kind.
Daarom verklaart het hof de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep en komt het niet toe aan inhoudelijke beoordeling van zijn verzoeken. De moeder had verzocht de vader te veroordelen in de proceskosten, maar het hof wijst dit af en bepaalt dat partijen ieder hun eigen kosten dragen, gezien het ontbreken van misbruik van recht door de vader.