Bolkesteijn Infrastructuur B.V. voerde werkzaamheden uit voor het egaliseren van zandbanen op perrons van NS-stations, waarbij zij onderaannemers inschakelde, waaronder [geïntimeerden]. Bolkesteijn stelde dat het levelen op station Waddinxveen niet correct was uitgevoerd vanwege een te hoog afschotpercentage, wat leidde tot afkeuring door ProRail en extra herstelkosten.
De rechtbank wees de vorderingen van Bolkesteijn af en kende betaling van de factuur aan [geïntimeerden] toe. In hoger beroep oordeelde het hof dat er wel een resultaatsverbintenis bestond en dat het overeengekomen afschotpercentage onderdeel was van de overeenkomst. Het hof stelde vast dat [geïntimeerden] tekortgeschoten is in de nakoming omdat het afschotpercentage niet werd aangehouden en dat deze tekortkoming toerekenbaar is.
Het hof wees echter slechts een deel van de gevorderde schade toe, omdat Bolkesteijn zelf het risico nam om het werk niet direct te laten herstellen en ProRail niet onmiddellijk informeerde. De schadevergoeding werd vastgesteld op €12.260,-, na verrekening van de factuur, vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten. Bolkesteijn werd veroordeeld tot betaling van proceskosten. Het arrest vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen deels toe.