ECLI:NL:GHARL:2025:4503

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 juli 2025
Publicatiedatum
22 juli 2025
Zaaknummer
200.353.955
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep Agrifirm NWE B.V. tegen Maatschap Melkveehouderijbedrijf over voorlopige bewijsverrichtingen

In deze zaak heeft Agrifirm NWE B.V. hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de rechter-commissaris in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, die op 29 januari 2025 is gegeven. Agrifirm verzoekt het hof om te bepalen dat zij in een voorlopig getuigenverhoor vragen kan stellen over de uitvoering van de (gestelde) afspraken met Maatschap Melkveehouderijbedrijf. De kern van het geschil draait om een mondelinge overeenkomst tussen Agrifirm en Maatschap Melkveehouderijbedrijf, waarbij Agrifirm financiële garanties zou hebben verstrekt. Maatschap Melkveehouderijbedrijf heeft een verzoek ingediend voor een voorlopig getuigenverhoor, dat door de rechtbank is toegewezen. Tijdens dit verhoor heeft Agrifirm niet de gelegenheid gekregen om al haar vragen te stellen, wat leidde tot het verzoek om aanvullende vragen te mogen stellen aan de rechter-commissaris. Het hof heeft echter geoordeeld dat Agrifirm niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep, omdat het nieuwe bewijsrecht van toepassing is en er een rechtsmiddelenverbod geldt op beslissingen van de rechter-commissaris over voorlopige bewijsverrichtingen. Het hof heeft vastgesteld dat de procedure bij het hof is gestart na de inwerkingtreding van het nieuwe bewijsrecht, waardoor de regels van het nieuwe recht van toepassing zijn. Agrifirm heeft niet aangetoond dat er sprake is van een doorbrekingsgrond voor het rechtsmiddelenverbod, en bovendien is de termijn voor het instellen van hoger beroep niet in acht genomen. De beslissing van het hof is op 22 juli 2025 openbaar uitgesproken.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.353.955
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem 426305
beschikking van 22 juli 2025
in de zaak van
Agrifirm NWE B.V. (Agrifirm)
die is gevestigd in Apeldoorn
advocaat: mr. N.E. Koelemaij
en
Maatschap Melkveehouderijbedrijf [naam1] ( [naam1] )
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
advocaat: mr. J.M.M. Menu

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

Agrifirm heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de rechter-commissaris in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, op 29 januari 2025 heeft gegeven. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • het beroepschrift
  • de uitlating over de ontvankelijkheid van Agrifirm
  • de uitlating over de ontvankelijkheid van [naam1]

2.De kern van de zaak

2.1.
[naam1] exploiteert een akkerbouw- en melkveehouderijbedrijf. Agrifirm houdt zich onder meer bezig met verkoop van veevoer en advisering daarover. Volgens [naam1] is tussen haar en Agrifirm een mondelinge overeenkomst gesloten waarin Agrifirm aan [naam1] financiële garanties heeft verstrekt. Volgens [naam1] is Agrifirm die garantieafspraak niet nagekomen.
2.2.
[naam1] heeft de rechtbank bij verzoek van 6 oktober 2023 verzocht een voorlopig getuigenverhoor te gelasten, waarbij [naam1] heeft verzocht getuigen te horen over haar stelling dat zij een garantieafspraak heeft met Agrifirm. De rechtbank heeft dat verzoek bij beschikking van 23 november 2023 toegewezen. Tijdens het voorlopig getuigenverhoor op 27 februari 2024 is Agrifirm niet in de gelegenheid gesteld al haar vragen te stellen. Agrifirm heeft de rechter-commissaris vervolgens verzocht om vragen te mogen stellen over kwesties rond de uitvoering van de (door [naam1] gestelde) afspraken. Bij beschikking van 29 januari 2025 heeft de rechter-commissaris dat verzoek afgewezen, omdat het toegewezen verzoek om een voorlopig getuigenverhoor (van [naam1] ) daarop geen betrekking had.
2.3.
Agrifirm komt in hoger beroep van die beschikking. Agrifirm verzoekt het hof (onder meer) te bepalen dat zij in het voorlopig getuigenverhoor vragen kan stellen over de uitvoering van de (gestelde) afspraken tussen Agrifirm en [naam1] en over hetgeen verder relevant is of kan zijn voor de vraag of aan [naam1] een vordering op Agrifirm toekomt. Agrifirm verzoekt het hof daarnaast te bepalen dat zij een aantal getuigen (alsnog/nogmaals) mag horen over die vragen en over vragen waarvan het stellen haar op de zitting bij de rechtbank is belet of waarvoor zij geen gelegenheid heeft gekregen.
2.4.
Het hof zal Agrifirm niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep en licht dat hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Het nieuwe bewijsrecht is van toepassing
3.1.
Op 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht [1] in werking getreden. De nieuwe regels gelden voor gerechtelijke procedures die na 1 januari 2025 zijn gestart. Als een procedure vóór 1 januari 2025 is aangespannen, blijft het oude bewijsrecht gelden totdat de procedure bij die instantie is geëindigd. Dat volgt uit artikel XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht dat het overgangsrecht regelt.
3.2.
Volgens Agrifirm moet haar hoger beroep worden beoordeeld volgens de regels zoals die golden onder het oude bewijsrecht, omdat het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor vóór 2025 (namelijk in 2023) is gedaan. Het destijds geldende recht blijft daarom op de procedure van toepassing. Bovendien gaat het om een beschikking in een getuigenverhoor dat nog aanhangig is bij de rechtbank. Als op de procedure in hoger beroep het nieuwe bewijsrecht van toepassing zou zijn, dan zou dat tot de situatie leiden dat bij de procedure bij de rechter-commissaris het oude recht geldt, terwijl in hoger beroep het nieuwe recht geldt en daarna, als op het hoger beroep is beslist, voor de verdere voortzetting weer het oude recht, aldus Agrifirm.
Volgens [naam1] is het nieuwe bewijsrecht van toepassing.
3.3.
Het hof oordeelt als volgt. De procedure bij het hof, die is aangevangen met de indiening van het beroepschrift ter griffie van het gerechtshof op 28 april 2025, is een afzonderlijke procedure bij een nieuwe instantie. Omdat het beroepschrift na 1 januari 2025 bij het hof is ingediend, is het nieuwe bewijsrecht van toepassing op de procedure in hoger beroep. [2] Daarvoor is niet van belang dat voor het voorlopig getuigenverhoor bij de rechter-commissaris het oude bewijsrecht geldt en dat die procedure nog niet is geëindigd. Dat is immers een andere procedure die aanhangig is bij een andere instantie.
Agrifirm is niet-ontvankelijk in haar hoger beroep
3.4.
Artikel 200 lid 2 Rv (nieuw bewijsrecht) bevat een rechtsmiddelenverbod. Dat houdt in dat tegen een beslissing op een verzoek om (onder meer) een voorlopig getuigenverhoor geen hoger beroep openstaat, tenzij de rechter anders bepaalt. In dat geval geldt een termijn van vier weken voor het instellen van hoger beroep.
3.5.
Agrifirm betoogt (voor het geval het nieuwe bewijsrecht van toepassing is) dat het in onderhavige procedure niet gaat om het verzoek van [naam1] om een voorlopig getuigenverhoor (waarop is beslist bij de beschikking van 23 november 2023). In deze procedure komt Agrifirm in hoger beroep van de beschikking van 29 januari 2025, waarin de rechter-commissaris in het kader van de uitvoering van de beschikking van 23 november 2023 weigert om bepaalde vragen en getuigen toe te laten in contra-enquête. Het gaat volgens Agrifirm daarom niet om een ‘beslissing op het verzoek om een of meer andere voorlopige bewijsverrichtingen’, waarop artikel 200 lid 2 Rv (nieuw bewijsrecht) betrekking heeft, zodat geen rechtsmiddelenverbod geldt.
3.6.
Anders dan Agrifirm meent, geldt het rechtsmiddelenverbod uit artikel 200 lid 2 Rv ook voor de beslissing van de rechter-commissaris op het verzoek van Agrifirm om de door haar gewenste vragen te mogen stellen. Het rechtsmiddelenverbod heeft onder meer tot doel vertraging te voorkomen die in de weg zou staan aan een voortvarende afwikkeling van een verzoek tot voorlopige bewijsverrichtingen in de fase voorafgaand aan een eventuele inhoudelijke procedure. Met het oog op die voortvarende afwikkeling brengt artikel 200 lid 2 Rv mee dat ook tegen beslissingen van de rechter-commissaris over de uitvoering van de gevraagde voorlopige bewijsverrichtingen geen hogere voorziening openstaat, tenzij de rechter-commissaris anders heeft bepaald. Agrifirm heeft niet aangevoerd dat sprake is van een doorbrekingsgrond ten gevolge waarvan het rechtsmiddelenverbod niet zou gelden.
3.7.
Agrifirm stelt nog dat de onder het nieuwe recht vereiste toestemming voor hoger beroep in de bestreden beschikking besloten ligt, omdat uit die beschikking volgt dat de rechter-commissaris ermee bekend was dat Agrifirm hoger beroep zou instellen. Naar het oordeel van het hof volgt uit die constatering door de rechter-commissaris echter niet de op grond van artikel 200 lid 2 Rv benodigde toestemming voor het instellen van een rechtsmiddel. Er wordt in de beschikking van 29 januari 2025 namelijk alleen vermeld dat de advocaat van Agrifirm heeft laten weten dat hij tegen een afwijzende beschikking hoger beroep wil instellen. Een toestemming daarvoor kan daaruit niet worden afgeleid. Bovendien, ook als die toestemming wel zou zijn verleend, geldt de termijn van vier weken voor het instellen van hoger beroep. Aan die termijn is niet voldaan, zodat het hoger beroep van Agrifirm (als dat was toegelaten) ook op die grond niet-ontvankelijk zou zijn geweest. Het uitgangspunt van Agrifirm dat de appeltermijn en het toestemmingvereiste niet gelden omdat de regels van het nieuwe bewijsrecht pas van toepassing zijn op de procedure in hoger beroep
na het instellen van het rechtsmiddelgaat niet op. De regels van het nieuwe bewijsrecht, waaronder ook de appeltermijn en het toestemmingsvereiste, gelden voor procedures die na 1 januari 2025 zijn gestart en dit is zo’n procedure.

4.De beslissing

Het hof verklaart Agrifirm niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Kuiper, H.L. Wattel en C. Bakker, en is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2025.

Voetnoten

1.Wet van 6 maart 2024 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met de vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht,
2.Zie ook de conclusie van AG De Bock van 4 juli 2025, ECLI:NL:PHR:2025:753 onder 4.4.