Belanghebbende en diens partner drijven een agrarische onderneming in de vorm van een vof, met activiteiten in vleesvarkens, jongveeopfok en akkerbouw. In 2018 zijn melkveefosfaatrechten toegekend die nodig zijn voor het houden van melkvee. Belanghebbende heeft deze rechten in 2018 grotendeels verkocht en wenste een herinvesteringsreserve (HIR) te vormen voor de gerealiseerde boekwinst.
De Inspecteur stelde dat slechts het deel van de fosfaatrechten dat daadwerkelijk in 2018 werd benut (10%) als bedrijfsmiddel kwalificeert, en dat de rest als voorraad moet worden gezien. De Rechtbank oordeelde echter dat de melkveefosfaatrechten als bedrijfsmiddel kunnen worden aangemerkt en dat een HIR kan worden gevormd. De Inspecteur ging in hoger beroep.
Het Hof overweegt dat de melkveefosfaatrechten per 1 januari 2018 kwalificeren als bedrijfsmiddel omdat er op dat moment een concreet en overheersend voornemen bestond om deze rechten duurzaam in de onderneming te gebruiken, gebaseerd op een businesscase voor een grote melkveehouderij. De beslissing om de businesscase niet door te zetten en de rechten te verkopen, is pas in de loop van 2018 genomen. Het Hof bevestigt dat de HIR terecht is gevormd en verklaart het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond.