ECLI:NL:GHARL:2025:4729

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 juli 2025
Publicatiedatum
31 juli 2025
Zaaknummer
21-005036-23
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van rechtsvervolging na geslaagd beroep op noodweerexces in strafzaak

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 30 juli 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Noord-Nederland. De verdachte was eerder veroordeeld voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, maar heeft in hoger beroep een geslaagd beroep op noodweerexces gedaan. De Hoge Raad had de zaak teruggewezen naar het hof na een eerdere vernietiging van het arrest van het hof. Het hof oordeelde dat de verdachte, die in een noodsituatie verkeerde, de grenzen van de noodzakelijke verdediging had overschreden, maar dat deze overschrijding het gevolg was van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de aanranding door het slachtoffer. Hierdoor werd de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding, omdat de verdachte niet strafbaar was. Het hof heeft de relevante feiten en omstandigheden zorgvuldig gewogen en de verklaringen van getuigen en deskundigen in aanmerking genomen. De uitspraak benadrukt de nuances van noodweer en noodweerexces in het strafrecht.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005036-23
Uitspraak d.d.: 30 juli 2025
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen – na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden (hierna: Hoge Raad) bij arrest van 31 oktober 2023 – op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen , van 11 juli 2019 met parketnummer 18-830332-16 in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
wonende te [adres]

Procesgang en omvang van het hoger beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 11 juli 2019:
  • de verdachte ter zake van poging tot doodslag en zware mishandeling vrijgesproken;
  • mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg bewezenverklaard, maar de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege een geslaagd beroep op noodweerexces;
  • de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding.
De officier van justitie heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft in hoger beroep bij arrest van 16 september 2021:
  • de verdachte ter zake van poging tot doodslag en zware mishandeling vrijgesproken;
  • de verdachte ter zake van mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg veroordeeld tot een gevangenisstraf van 450 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 231 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;
  • de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 112.386,00, bestaande uit € 12.386,00 aan materiële schade en € 100.000,00 aan immateriële schade, dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding.
De verdachte heeft tegen dit arrest (beperkt) beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 31 oktober 2023 het bestreden arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het meer subsidiair tenlastegelegde en de strafoplegging. Naar het oordeel van de Hoge Raad heeft het hof – kort samengevat – de verwerping van het beroep van de verdachte op noodweerexces niet toereikend gemotiveerd. De Hoge Raad heeft de zaak teruggewezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien van het vorenstaande opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Het vorenstaande betekent dat de omvang van het hoger beroep door de Hoge Raad is beperkt tot het meer subsidiair tenlastegelegde en de strafoplegging. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op het gedeelte van het beroepen vonnis dat na terugwijzing door de Hoge Raad nog aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad – gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 13 november 2024 en 16 juli 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het arrest van het hof van 16 september 2021. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman,
mr. B. Hartman, naar voren is gebracht.
Ook heeft het hof kennisgenomen van hetgeen door de advocaat, mr. A.G.M. Abeln, namens de benadeelde partij [benadeelde] , naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – nadat in eerste aanleg een nadere omschrijving van de tenlastelegging is toegelaten – tenlastegelegd dat:
meer subsidiair:
hij op of omstreeks 11 september 2016 te [plaats] [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] meermalen, althans eenmaal (telkens) (met kracht) op/tegen het hoofd en/of lichaam te stompen en/of te slaan, en/of (vervolgens) die [benadeelde] op te tillen en/of op/tegen de grond te gooien, althans te laten vallen, waarbij die [benadeelde] met zijn hoofd op/tegen de grond is gekomen, en/of (terwijl die [benadeelde] op de grond lag) hem te stompen/slaan en/of te schoppen/trappen, en/of (daarbij) die [benadeelde] in een wurggreep te nemen, althans vast te pakken en/of te vastgepakt te houden, door zijn, verdachtes, arm om/rond de nek/hoofd van die [benadeelde] te doen (houden), terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten traumatisch hersenletsel, diffuse schade aan (zenuwcellen) hersenbalk, (forse) cognitieve stoornissen/beperkingen en/of (blijvende) gedragsmatige veranderingen, ten gevolge heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bevestiging van het arrest van het hof van 16 september 2021.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde geen bewijsverweer gevoerd.
Het oordeel van het hof
De rechtbank heeft met betrekking tot de feitelijke gang van zaken op 11 september 2016 en de bewezenverklaring het volgende overwogen.

Uit de combinatie van bewijsmiddelen volgt dat er op 11 september 2016 een aanrijding tussen het slachtoffer, [benadeelde] , en verdachte heeft plaatsgevonden op het kruispunt van het [adres] en de [adres] te [plaats] . Het slachtoffer is met zijn auto, een zwarte Mercedes , tegen de rechter achterzijde van de auto van verdachte, een grijze Volkswagen Polo , gereden. Verdachte en het slachtoffer zijn vervolgens uit hun auto’s gestapt.” [1] (…)
“Daarop ontstond tussen verdachte en het slachtoffer een gevecht. Verdachte pakte het slachtoffer vervolgens met een hand tussen de benen vast waarna hij hem met twee handen optilde. Verdachte heeft het slachtoffer daarna op de grond gegooid. Op het moment dat het slachtoffer op de grond lag, maakte hij nog schoppende bewegingen in de richting van verdachte. Toen het slachtoffer op de grond lag, heeft verdachte hem nog meerdere malen tegen het hoofd geslagen met zijn vuist en met zijn blote voet geschopt. Daarna is het geweld gestopt.
Het slachtoffer is na het incident buiten bewustzijn aangetroffen. Kort na het incident is bij het slachtoffer enig uitwendig letsel waargenomen, namelijk een lichte zwelling boven de rechter wenkbrauw met daarin een schaafwond. Bij nader medisch onderzoek bleek dat er ook sprake was van niet-zichtbaar hersenletsel. Er is (verse) diffuse schade aan de zenuwcellen in het gebied van de hersenbalk aangetroffen. Zoals uit de aangehaalde medische verklaring blijkt moet rekening worden gehouden met blijvende cognitieve beperkingen en gedragsmatige veranderingen.
(...)
Mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg
Gelet op de (...) bewijsmiddelen staat vast dat verdachte het slachtoffer op de grond heeft gegooid, met zijn vuist in het gezicht heeft geslagen en met de blote voet heeft geschopt, terwijl het slachtoffer op de grond lag. Dat levert in beginsel mishandeling op.
De vraag die vervolgens beantwoord moet worden, is of deze mishandeling zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad.
Het slachtoffer heeft door de gedraging van verdachte traumatisch hersenletsel opgelopen. De cognitieve beperkingen van het slachtoffer duren inmiddels al langer dan vier weken. Er moet zelfs rekening worden gehouden met blijvende cognitieve beperkingen en gedragsmatige veranderingen. Gelet op de aard, de duur en de gevolgen van het letsel en de onzekerheid over de mate van herstel waarbij in ieder geval vaststaat dat er rekening moet worden gehouden met blijvende cognitieve beperkingen, is de rechtbank van oordeel dat het letsel als zwaar lichamelijk in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht moet worden aangemerkt.
Het hof neemt de bovenstaande overwegingen van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne.

Bewijsmiddelen

Het hof past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1.
De door de verdachte op de terechtzitting van de rechtbank Noord-Nederland d.d. 27 juni 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Ik reed in een Polo . Men noemt mij ook wel [alias] . Ik tilde het slachtoffer op. Als gevolg daarvan kwam hij op de grond terecht. Toen hij op de grond lag heb ik hem twee of drie klappen gegeven in het gezicht. Daarna bewoog hij niet meer.
2.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 14 oktober 2016, opgenomen op pagina 209 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2016260686 d.d. 1 december 2016, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :
Op 11 september 2016 te [plaats] zag ik dat de bestuurder van een Volkswagen Polo en de bestuurder van een Mercedes aan het vechten waren. Op een gegeven moment tilde de bestuurder van de Polo de bestuurder van de Mercedes op, waarna de bestuurder van de Mercedes op de grond terechtkwam. Vervolgens trapte de bestuurder van de Polo hem met de voet op zijn hoofd. Dit heeft hij meerdere keren gedaan.
3.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 14 oktober 2016, opgenomen op pagina 219 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] :
Ik zag op 11 september 2016 te [plaats] dat de bestuurder van een Volkswagen Polo en de bestuurder van een Mercedes aan het vechten waren. De bestuurder van de Polo pakte de bestuurder van de Mercedes met één hand beet tussen de benen. Vervolgens tilde hij de bestuurder van de Mercedes op en heeft hem op de grond gegooid. Daarna heeft de bestuurder van de Polo de bestuurder van de Mercedes in de buik getrapt.
4.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 21 september 2016, opgenomen op pagina 204 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 3] :
Op 11 september 2016 te [plaats] zag ik dat er een gevecht was en dat [verdachte] [alias] (
het hof begrijpt: [benadeelde]) beetpakte en op de grond gooide. Ik heb gezien dat [verdachte] [alias] een paar keer heeft geslagen.
5.
Een geneeskundige verklaring van de GGD, d.d. 1 februari 2017, als losse bijlage bijgevoegd bij voornoemd dossier, inhoudende:
Medische informatie betreffende [benadeelde] . Een MRI-scan liet (verse) diffuse schade aan de zenuwcellen in het gebied van de zogenaamde `hersenbalk` zien. De hersenbalk is de verbinding tussen de twee helften van de grote hersenen en draagt zorg voor de informatie-uitwisseling tussen die helften. Er moet rekening worden gehouden met blijvende cognitieve beperkingen en gedragsmatige veranderingen.

Beroep op noodweer(-exces)

Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft – op gronden zoals nader in de pleitnota is verwoord – bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hem een geslaagd beroep toekomt op noodweer dan wel noodweerexces. De raadsman heeft – kort samengevat – aangevoerd dat het door de verdachte gebruikte geweld noodzakelijk en geboden was om zich te verdedigen tegen de aanval van het slachtoffer. Voor zover het hof zou oordelen dat dit geweld niet proportioneel is geweest, heeft de raadsman betoogd dat zulks verontschuldigbaar was door de gemoedstoestand waarin de verdachte door toedoen van het slachtoffer verkeerde.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bevestiging van het arrest van het hof van 16 september 2021. Hiertoe heeft de advocaat-generaal – kort samengevat – aangevoerd dat het handelen van de verdachte niet verschoonbaar is, omdat er geen sprake is geweest van noodweer of noodweerexces.
Het oordeel van het hof
Vooropgesteld moet worden dat indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer, de rechter zal moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die voorwaarden houden in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. De vraag of een gedraging geboden is door de noodzakelijke verdediging – waarmee de proportionaliteits- en subsidiariteitseis tot uitdrukking wordt gebracht – van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beslissing daaromtrent komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval.
Noodweerexces kan in beeld komen bij een “overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging”, dus wanneer aan alle voorgaande eisen is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis. Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:
a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien
b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het “onmiddellijk gevolg” moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie. [2]
Voor aanvaarding van het beroep op noodweer is onder meer vereist dat de rechter de feitelijke grondslag ervan aannemelijk acht. Voor de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop dat beroep steunt, geldt – anders dan voor de beslissing over de bewezenverklaring – niet als maatstaf dat deze feiten en omstandigheden zich ‘buiten redelijke twijfel’ hebben voorgedaan. Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er slechts om dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Aan het oordeel dat de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden, staat enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht niet in de weg. [3]
Bij de beoordeling of sprake was van noodweer(exces) gaat het hof uit van de navolgende aan wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden.
Uit de feiten en omstandigheden zoals hierboven is vermeld komt het hof – net als het hof in zijn arrest van 16 september 2021 en de rechtbank in haar vonnis van 11 juli 2019 – tot het oordeel dat er sprake is geweest van een noodweersituatie. Het hof constateert dat over de aanvang van het incident de verklaringen van getuigen in het dossier uiteenlopen en dat verschillende getuigen niet het gehele voorval hebben gezien. Dit geldt niet voor de verklaring van de getuige [getuige 1] . Hij heeft het gevecht vanaf het begin gezien en had gelet op waar hij op dat moment stond ook goed zicht op wat er gebeurde. Daarnaast acht het hof zijn verklaring consistent en gedetailleerd waardoor het hof geen reden ziet om aan zijn getuigenverklaring te twijfelen. Het hof zal dan ook de getuigenverklaring van [getuige 1] als uitgangspunt nemen.
Uit de getuigenverklaring van [getuige 1] volgt dat er een botsing heeft plaatsgevonden tussen twee auto’s en dat toen de verdachte en het slachtoffer de auto uit zijn gestapt het slachtoffer direct met gestrekte arm en volle kracht tegen het hoofd van de verdachte heeft geslagen. Het hof is van oordeel dat op dit moment sprake was van een wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Echter, is het hof van oordeel dat de gekozen gedragingen van de verdachte – als verdedigingsmiddel – in onredelijke verhouding staan tot de ernst van de aanranding en dat daarmee niet is voldaan aan de proportionaliteitseis die bij een geslaagd beroep op noodweer wordt gesteld. De verdachte heeft het slachtoffer op een gegeven moment opgetild en op de grond gegooid en heeft het slachtoffer ook daarna nog tegen het hoofd geslagen en geschopt.
Aldus ligt de vraag voor of het handelen van de verdachte, te weten het optillen en op de grond gooien en het schoppen en slaan tegen het hoofd van het slachtoffer terwijl het slachtoffer op de grond ligt, niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
Uit de verklaring van de verdachte komt naar voren dat hij erg schrok van de onverhoedse vuistslag in zijn gezicht die hij van het slachtoffer kreeg, een vuistslag die bovendien werd uitgedeeld op een moment dat hij toch al behoorlijk ontdaan was van de aanrijding kort daarvoor, zeker omdat de auto van het slachtoffer zijn auto had geraakt op de plaats waar zijn dochtertje zat. De verdachte heeft beschreven dat zijn vrees over het welzijn van zijn dochtertje door de aanval van het slachtoffer extra groot werd, omdat hij bang was dat zijn dochtertje mogelijk ook iets zou worden aangedaan. De verdachte en het slachtoffer stonden namelijk op het moment dat hij werd geslagen bij het portier waar zijn dochtertje achter zat.
Het hof acht, evenals de rechtbank, de verklaring van de verdachte dat hij als gevolg van de aldus (mede) door toedoen van het slachtoffer veroorzaakte heftige gemoedsbeweging de grenzen van de noodzakelijke verdediging uit het oog heeft verloren, aannemelijk.
Het hof betrekt hierbij ook hetgeen de forensisch psycholoog D. Breuker in het psychologisch onderzoek Pro Justitia van 30 november 2016 heeft vermeld. In dit rapport wordt geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid en antisociale en narcistische persoonlijkheidstrekken. Deze gebrekkige ontwikkeling was aanwezig ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde en heeft de verdachte in zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde beïnvloed. De verdachte heeft vanwege zijn verstandelijke beperking de plotselinge escalerende situatie onvoldoende overzien en is hierdoor overrompeld geweest. Mede hierdoor heeft hij ook minder zicht en grip gehad op zijn eigen emoties en die van de ander. Zijn probleemoplossend vermogen en conflicthantering schieten met name tekort in situaties waarin hij zich bedreigd voelt en hij wordt geconfronteerd met agressie van anderen. Vanwege de antisociale en narcistische trekken worden daardoor ook eigen agressie en geldingsdrang te veel aangesproken. De verdachte heeft te weinig zicht en grip op deze risicofactoren. Er is ook achteraf te weinig normbesef en van zelfverwijt.
Het hof benadrukt dat het niet van oordeel is dat de hevige gemoedsopwelling louter het gevolg is geweest van de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte. Die hevige gemoedsbeweging werd naar het oordeel van het hof in belangrijke mate veroorzaakt doordat de verdachte met veel kracht tegen het hoofd werd geslagen door het slachtoffer. Het hof is echter wel van oordeel dat de gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens een rol heeft gespeeld bij het ontstaan en de hevigheid van de gemoedsopwelling. Dit mede gelet op de door Breuker beschreven gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte en de gevolgen daarvan op het handelen en het gemoed van de verdachte.
Op grond van deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden door te handelen zoals hij heeft gedaan. Het op de grond gooien van het slachtoffer en het – nadat het slachtoffer op de grond terecht was gekomen – met zijn vuist slaan in het gezicht van het slachtoffer en hem met blote voet schoppen was niet nodig ter noodzakelijke verdediging. Deze overschrijding was echter het onmiddellijke gevolg van een hevige – door die aanranding veroorzaakte – gemoedsbeweging. Deze gemoedsbeweging is van doorslaggevend belang geweest voor de gedragingen van de verdachte.
Het hof komt, gelet op het voorgaande, tot het oordeel dat het bewezenverklaarde handelen van de verdachte verontschuldigbaar is en daarom zal het beroep op noodweerexces worden gehonoreerd.
Het hof zal de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde dan ook ontslaan van alle rechtsvervolging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
meer subsidiair
hij op 11 september 2016 te [plaats] [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] op te tillen en op/tegen de grond te gooien en terwijl die [benadeelde] op de grond lag, hem te stompen/slaan en te schoppen/trappen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten traumatisch hersenletsel, diffuse schade aan (zenuwcellen) hersenbalk, cognitieve beperkingen en blijvende gedragsmatige veranderingen, ten gevolge heeft gehad.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het meer subsidiair bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Zoals eerder in het arrest weergegeven, is de verdachte ten aanzien van het meer subsidiair bewezenverklaarde niet strafbaar, omdat hem een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt. Hij dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 222.276,66, bestaande uit € 22.276,66 aan materiële schade en € 200.000,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij heeft zich – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad – in hoger beroep gevoegd voor het bedrag van € 112.386,00, bestaande uit € 12.386,00 aan materiële schade en
€ 100.000,00 aan immateriële schade.
De verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van het bewezenverklaarde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in zijn vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals zij gold ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het meer subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Aldus gewezen door
mr. H.J. Deuring, voorzitter,
mr. A.J. Rietveld en mr. M.C. van Linde, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Abdulkarim, griffier,
en op 30 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

1.Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 14 oktober 2016, opgenomen op pagina 209 e.v. van voornoemd dossier van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [getuige 1] , een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 11 september 2016, opgenomen op pagina 137 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 4] en een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 21 september 2016, opgenomen op pagina 204 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 3] .
2.HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456.
3.HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:417.