ECLI:NL:GHARL:2025:5056

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 augustus 2025
Publicatiedatum
14 augustus 2025
Zaaknummer
Wahv 200.350.395/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:24 AwbWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging matiging dwangsom en afwijzing proceskostenvergoeding in hoger beroep bestuursstrafrecht

In deze zaak stond het hoger beroep centraal tegen de beslissing van de kantonrechter die de dwangsom matigde tot €126,75 en een proceskostenvergoeding van €437,50 toekende. De betrokkene had de ontvangst van een verdagingsbrief betwist, maar het hof oordeelde dat het verzendproces vanuit MAPS zodanig is ingericht dat de brief als verzonden mag worden beschouwd. De enkele betwisting van ontvangst was onvoldoende om hieraan te twijfelen.

Daarnaast speelde de opschorting van de beslistermijn door het inschakelen van meerdere rechtsbijstandsverleners namens de betrokkene. Dit leidde tot navraag door het parket en opschorting van de beslistermijn conform artikel 7:24, derde lid, Awb. Hierdoor waren de ingebrekestellingen prematuur en was de officier van justitie tijdig in zijn beslissing.

Het hof concludeerde dat er in het geheel geen dwangsom verschuldigd was, maar liet de reeds vastgestelde dwangsom in stand om de betrokkene niet slechter te stellen dan zonder hoger beroep. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen. Hiermee bevestigde het hof de beslissing van de kantonrechter.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de matiging van de dwangsom tot €126,75 en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.350.395/01
CJIB-nummer
: 257277028
Uitspraak d.d.
: 14 augustus 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank NoordHolland van 8 januari 2025, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd, het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 126,75. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 437,50. De hoogte van de dwangsom is vastgesteld op € 462,-.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft van de geboden gelegenheid daarop te reageren geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Het hoger beroep richt zich tegen de hoogte van de vastgestelde dwangsom. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene de ontvangst van de verdagingsbrief heeft betwist. De officier van justitie heeft de verzending ervan niet aannemelijk gemaakt. De beslistermijn is dan ook niet verlengd. Daarnaast heeft de betrokkene de beslissing van de officier van justitie, die is gedateerd 18 januari 2024, ontvangen op 23 januari 2024. Er is geen verzendadministratie waaruit blijkt dat de beslissing op 18 januari 2024 is verzonden. Uit de door de advocaat-generaal verstrekte stukken blijkt ook niet dat de brief is verzonden. De advocaat-generaal weet niet precies wanneer de brief ter post is aangeboden. Uit bestendige jurisprudentie van hoogste bestuursrechters volgt dat de enkele beschrijving dat een brief naar de printer is gestuurd, onvoldoende is om de verzending van een brief aannemelijk te maken. De feitelijke aanbieding van de brief blijkt op geen enkele wijze.
De gemachtigde wijst nog op enigszins vergelijkbare zaken bij de Hoge Raad en de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:HR2020:202 en ECLI:NLCRVB:2017:2491). De gegevens maken slechts aannemelijk dat de brief is aangemaakt.
2. Voor de beantwoording van de vraag over de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen door de officier van justitie is verder het volgende van belang.
- De inleidende beschikking is op 30 april 2023 naar de betrokkene gestuurd.
- Op 2 mei 2023 is via het Digitaal Loket Verkeer administratief beroep ingesteld door [naam1] .
- Per brief met dagtekening 9 mei 2023 is [naam1] in de gelegenheid gesteld om een machtiging over te leggen waaruit blijkt dat degene aan wie de beschikking is opgelegd hem heeft gemachtigd om namens hem beroep in te tellen.
- Op 31 mei 2023 heeft Fixiq Legal aanvullende gronden aangevoerd via het Digitaal Loket Verkeer. In het schrijven staat dat administratief beroep namens de betrokkene wordt ingesteld. Een machtiging van de betrokkene is bijgevoegd.
- Op 6 juni 2023 heeft [naam1] via het Digitaal Loket Verkeer een machtiging van de betrokkene overgelegd.
- Op 13 juni 2023 heeft het Parket CVOM een administratief beroepschrift ontvangen van [naam2] , waarin wordt geschreven dat namens de betrokkene beroep tegen de inleidende beschikking wordt ingesteld.
- In het dossier bevinden zich twee brieven met dagtekening 23 september 2023, waarin de officier van justitie mededeelt dat de termijn om te beslissen met 10 weken wordt verlengd. De brieven zijn geadresseerd aan de betrokkene en aan [naam1] .
- Per brief met dagtekening 6 november 2023 is [naam2] in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat degene aan wie de beschikking is opgelegd [naam2] heeft gemachtigd om beroep in te stellen. Er bevindt zich in het dossier geen reactie op deze brief.
- Per brief met dagtekening 4 december 2023 is de betrokkene er op gewezen dat door meerdere personen namens de betrokkene beroep is ingesteld tegen dezelfde boete. De officier van justitie verzoekt, kort samengevat, om binnen twee weken door te geven wie als contactpersoon kan worden aangemerkt voor het ontvangen van correspondentie en de uitbetaling van een eventuele proceskostenvergoeding. Er bevindt zich in het dossier geen reactie op deze brief.
- Op 1 december 2023 is door het Parket CVOM een ingebrekestelling ontvangen van mr. Rissema.
- Op 19 december 2023 is door het Parket CVOM een ingebrekestelling ontvangen van [naam1] .
- Op 22 december 2023 is door het Parket CVOM een ingebrekestelling ontvangen van mr. Rissema.
- Op 17 januari 2024 is een door het Parket CVOM een ingebrekestelling ontvangen van [naam3] ( [naam2] ).
- Bij brieven dagtekening 18 januari 2024 heeft de officier van justitie beslist op het administratief beroep.
3. De kantonrechter heeft onder meer geoordeeld dat met de verdagingsbrief met dagtekening 23 september 2023 de beslistermijn met tien weken is verlengd tot 10 december 2023. Het hof heeft in het arrest van 13 mei 2025 vastgesteld dat het verzendproces van brieven die door de officier van justitie worden verzonden vanuit MAPS, zoals de verdagingsbrief, zo is ingericht, dat de kans op fouten nagenoeg is uitgesloten (ECLI:NL:GHARL:2025:2912). Daarom mag ervan worden uitgegaan dat deze brief daadwerkelijk is verzonden. De enkele betwisting van de ontvangst is onvoldoende om hieraan te twijfelen. De door de gemachtigde genoemde rechtspraak geeft het hof geen aanleiding om daar op terug te komen. Uit de informatie die de advocaat-generaal verstrekt heeft blijkt voldoende dat het aanmaak- en verzendproces ook inhoudt dat de brief aan PostNL wordt aangeboden.
4. Verder blijkt uit de beschreven gang van zaken dat drie verschillende rechtsbijstandsverleners allemaal een administratief beroepschrift hebben ingediend tegen dezelfde inleidende beschikking, waarin ze schrijven namens de betrokkene beroep in te stellen. De betrokkene heeft kennelijk meerdere rechtsbijstandsverleners ingeschakeld, zonder dat blijkt dat de machtiging van een andere rechtsbijstandsverlener is geëindigd. Daarom heeft het Parket CVOM navraag moeten doen wie contactpersoon was en aan een eventuele proceskostenvergoeding zou kunnen worden overgemaakt. Daarnaast is aan één van de rechtsbijstandsverleners een termijn gegeven om een verzuim te herstellen. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat de opschorting als bedoeld in het derde lid van artikel 7:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in dit geval ook van toepassing is. Dit betekent dat de ontvangen ingebrekestellingen prematuur zijn en de officier van justitie tijdig heeft beslist.
5. Het voorgaande brengt mee dat in het geheel geen dwangsom is verschuldigd. Om de betrokkene niet in een nadeliger positie te brengen dan wanneer geen hoger beroep zou zijn ingesteld, zal het hof de vastgestelde dwangsom in stand laten.
6. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.