AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Pachter moet zoon oproepen voor indeplaatsstelling in pachtprocedure
In deze civiele procedure staat centraal of de pachtovereenkomst tussen appellant en geïntimeerde moet worden ontbonden of beëindigd. Geïntimeerde heeft in incidenteel hoger beroep gevorderd dat zijn zoon in zijn plaats als pachter wordt gesteld op grond van artikel 7:363 lid 1 BWPro.
De zoon is echter niet opgeroepen en heeft zich niet als partij gevoegd. Het hof benadrukt dat een pachter die indeplaatsstelling vordert, de persoon die in zijn plaats moet treden tijdig moet oproepen conform artikel 118 RvPro. Daarom wordt geïntimeerde opgedragen zijn zoon alsnog op te roepen om, vertegenwoordigd door een advocaat, op de roldatum te verschijnen.
Op de roldatum kan de zoon verschijnen en zijn standpunt kenbaar maken. Het hof zal daarna een mondelinge behandeling plannen om informatie te verkrijgen en te onderzoeken of partijen tot een oplossing kunnen komen. Tevens moeten partijen hun verhinderdata voor januari tot en met april 2026 doorgeven.
De zaak wordt aangehouden tot de roldatum, waarbij verdere beslissingen worden uitgesteld. Dit arrest is gewezen door de kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 19 augustus 2025.
Uitkomst: Geïntimeerde moet zijn zoon oproepen om in de procedure te verschijnen voor indeplaatsstelling; verdere beslissing wordt aangehouden.
die woont in [woonplaats 1] , gemeente [gemeente 1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie en eiser in reconventie
hierna: [appellant]
advocaat: mr. B. Nijman
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats 2] , gemeente [gemeente 2]
die bij de rechtbank optrad als eiser in conventie en verweerder in reconventie
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. P. Stehouwer
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
Voor het verloop van de procedure in hoger beroep verwijst het hof naar het tussenarrest van 22 april 2025.
Verder hebben partijen nog de volgende stukken gewisseld:
een memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel tevens akte houdende wijziging van eis (in conventie) door [geïntimeerde] en
een memorie van antwoord in incidenteel appel door [appellant] .
2.De beoordeling in hoger beroep
2.1.
Tussen partijen is, kort samengevat, onder andere in geschil of de pachtovereenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] moet worden ontbonden, dan wel moet eindigen, zoals [appellant] heeft gevorderd. In zijn incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde] zijn eis gewijzigd en van zijn kant gevorderd dat zijn zoon, [naam zoon] (hierna: [de zoon] ), in zijn plaats als pachter gesteld wordt (artikel 7:363 lid 1 BWPro).
2.2.
[geïntimeerde] heeft [de zoon] niet opgeroepen en [de zoon] heeft zich ook niet in het geding als partij gevoegd. Een pachter die vordert dat iemand voor hem in de plaats gesteld wordt, dient zorg te dragen voor een tijdige oproeping op de voet van artikel 118 RvPro van de persoon die voor hem in de plaats gesteld moet worden. Het hof zal daarom [geïntimeerde] opdragen om alsnog zorg te dragen voor een oproeping van zijn zoon [de zoon] in deze procedure. [geïntimeerde] dient bij akte een afschrift in het geding te brengen van het exploot waarbij hij [de zoon] heeft opgeroepen om, deugdelijk vertegenwoordigd door een advocaat, in dit geding te verschijnen op de roldatum als hierna vermeld. [1]
2.3.
[de zoon] kan op die datum verschijnen, als hij dat wil, en als hij verschijnt gelijktijdig een akte nemen waarin hij zijn standpunt over de indeplaatsstelling kenbaar maakt.
2.4.
Het hof zal vervolgens een mondelinge behandeling bepalen op een nader te bepalen datum om informatie te verkrijgen en om met partijen te onderzoeken of op de zitting een oplossing bereikt kan worden. Het hof vraagt partijen, waaronder [de zoon] als hij wenst te verschijnen, om op de hieronder aangegeven roldatum ook hun verhinderdata voor de maanden januari tot en met april 2026 door te geven.
3.De beslissing
Het hof:
3.1.
bepaalt dat [geïntimeerde] zijn zoon [de zoon] moet oproepen om te verschijnen op de roldatum 16 september 2025;
3.2.
verwijst de zaak naar die roldatum zodat [geïntimeerde] een akte in het geding kan brengen als bedoeld in rov. 2.2;
3.3.
bepaalt dat [de zoon] op die roldatum in het geding kan verschijnen en, als hij verschijnt, een akte in het geding kan brengen als bedoeld in rov. 2.3;
3.4.
bepaalt dat partijen en [de zoon] (als hij verschijnt) hun verhinderdata voor de maanden januari tot en met april 2026 op deze roldatum moeten doorgeven;
3.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.S.A. van Dam, H.L. Wattel en W.F. Boele en de deskundige leden ir. W.G. Nijlant en ing. H.G.J.M. Janssen en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2025.