De gecertificeerde instelling (GI) heeft bij de rechtbank verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van vier minderjarige kinderen, die van 5 februari 2024 tot 5 februari 2025 onder toezicht stonden. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. De GI ging in hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en wilde dat het hof de beslissing van de rechtbank vernietigde en alsnog de verlenging toewijst.
Het hof heeft geoordeeld dat een ondertoezichtstelling niet kan worden verlengd nadat de door de kinderrechter bepaalde duur is geëindigd. Dit volgt uit een eerdere uitspraak van de Hoge Raad. Daarom is de GI niet-ontvankelijk in haar verzoek tot verlenging, omdat de ondertoezichtstelling op 5 februari 2025 is geëindigd en niet meer kan worden verlengd.
Het hof heeft de GI niet-ontvankelijk verklaard en is niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek. De ouders hebben gezamenlijk het gezag over de kinderen, die bij de vader wonen. Tijdens de procedure heeft het hof ook met twee van de kinderen gesproken over hun mening omtrent de ondertoezichtstelling.
De beslissing van het hof bevestigt dat verlenging van een ondertoezichtstelling niet mogelijk is nadat de oorspronkelijke termijn is verstreken, en dat verzoekers in hoger beroep in zo'n situatie niet-ontvankelijk zijn.