ECLI:NL:GHARL:2025:5806

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 september 2025
Publicatiedatum
23 september 2025
Zaaknummer
Wahv 200.354.125/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61a RVV 1990Art. 2 WahvArt. 9 WahvArt. 2 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete voor vasthouden mobiele telefoon tijdens het rijden

De betrokkene werd beboet voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden, een overtreding van artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). De gedraging vond plaats op 18 juli 2023 op de Kruisweg (N201) in Hoofddorp. De betrokkene betwistte de gedraging en verwees naar foto’s en eerdere verklaringen, maar het hof achtte de verklaring van de ambtenaar en het bewijs in het dossier overtuigend.

Het hof overwoog dat het vasthouden ook het klemmen van de telefoon met de duim tegen het stuur omvat, waarbij fysieke druk wordt uitgeoefend om de telefoon op zijn plaats te houden. Het feit dat de telefoon niet werd bediend, deed hieraan niet af. De betrokkene voerde aan dat het artikel niet sluitend is en wees op het gebruik van een houder op de voorruit, maar het hof wees dit af en verwees naar eerdere jurisprudentie.

De opgelegde sanctie van €380 werd als proportioneel en in redelijke verhouding tot de ernst van de overtreding beoordeeld. De betrokkene had geen omstandigheden aangevoerd die tot vermindering van de sanctie konden leiden. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees op de regels omtrent het uitzicht van de bestuurder en het gebruik van voorwerpen op de voorruit.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete van €380 voor het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.354.125/01
CJIB-nummer
: 259656503
Uitspraak d.d.
: 23 september 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank NoordHolland van 20 maart 2025, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 380,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 18 juli 2023 om 09.40 uur op de Kruisweg (N201) in Hoofddorp met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De betrokkene betwist de gedraging. De ambtenaar verklaart dat de mobiele telefoon tijdens het rijden met de rechterhand werd vastgehouden, maar dat is niet waar. Hierbij verwijst de betrokkene naar zijn eerdere beroepschriften en de door hem ingebrachte foto’s. De betrokkene wijst er verder op dat ook de verklaring van de ambtenaar over de bij staandehouding afgelegde verklaring onjuist is. De betrokkene verzoekt daarom de boete te seponeren dan wel dit op humanitaire gronden te doen. Tot slot merkt de betrokkene op dat artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) niet sluitend is als voorwaarde voor veiligheid tijdens het rijden. Daartoe merkt de betrokkene op dat het wel is toegestaan om een mobiele telefoon in een houder op de voorruit te plaatsen en deze te bedienen, terwijl dat het zicht op de weg ontneemt en zeker afleidt.
3. De verweten gedraging betreft een overtreding van artikel 61a van het RVV 1990, en luidt als volgt: “Het is degene die een voertuig bestuurt verboden tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat dat gebruikt kan worden voor communicatie of informatieverwerking vast te houden. Onder een mobiel elektronisch apparaat wordt in elk geval verstaan een mobiele telefoon, een tabletcomputer of een mediaspeler.”
4. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon met de rechterhand vasthield. (…) Bij de staandehouding zag ik dat het een mobiele telefoon OPPO betrof die ik herkende als het apparaat dat de bestuurder rijdend heeft vastgehouden. (…)
Aan betrokkene is de cautie verleend. Verklaring betrokkene: Ik was niet aan het bellen. Ik hield mijn telefoon vast en was mijn navigatie aan het instellen.”
6. Daarnaast bevat het dossier een door de betrokkene ingebrachte foto. Hierop is te zien dat de handen van de betrokkene zich aan de zijkanten van het stuur bevinden en dat een mobiele telefoon met de duim van de linkerhand tegen het stuur wordt geklemd.
7. Het hof ziet geen reden te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat de betrokkene tijdens het rijden een mobiele telefoon heeft vastgehouden. Ook als wordt uitgegaan van de verklaring van de betrokkene over de wijze waarop hij de mobiele telefoon heeft vastgeklemd, kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. In eerdere uitspraken van dit hof met betrekking tot het begrip vasthouden als bedoeld in artikel 61a van het RVV 1990 zijn namelijk verschillende vormen van het gebruik van een mobiele telefoon onder het begrip vasthouden gebracht, zoals het aan de pols bevestigen van een mobiele telefoon, het achter een hoofddoek plaatsen van een mobiele telefoon, het tussen oor en schouder klemmen van een mobiele telefoon en het klemmen van een mobiele telefoon tussen hand en fietsstuur. Daarbij achtte het hof steeds van belang dat de mobiele telefoon niet uit zichzelf in dezelfde positie bleef tijdens het rijden, maar uitsluitend door enige vorm van fysiek ingrijpen van de bestuurder van het voertuig. Daarvan is in deze zaak ook sprake. Doordat de betrokkene met zijn vinger(s) (enige) druk uitoefent, blijft de mobiele telefoon in positie. Dat de betrokkene de telefoon niet aan het bedienen was, is daarbij niet relevant.
8. Nu het hof de door de betrokkene bij de staandehouding afgelegde verklaring niet voor de vaststelling van de gedraging gebruikt, kan in het midden blijven of deze verklaring door de ambtenaren in het zaakoverzicht juist is weergegeven.
9. Op grond van artikel 2, derde lid, van de Wahv is de hoogte van de sanctie voor elke gedraging vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. Deze bijlage wordt elke jaar opnieuw vastgesteld. Het evenredigheidsbeginsel brengt mee dat bij de bepaling van de hoogte van de sanctie uitgangspunt is dat deze in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de gedraging, waarbij doel van de sanctie is het sanctioneren van strafwaardig gedrag en het dienen van de belangen waartoe de in artikel 2, eerste lid, van de Wahv genoemde regelgeving strekt, zoals de belangen genoemd in artikel 2 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Naar het oordeel van het hof is een sanctiebedrag van € 380,- voor de onderhavige gedraging niet onevenredig. Het sanctiebedrag staat in redelijke verhouding tot de aard en de ernst van de gedraging. De betrokkene heeft verder geen feiten of omstandigheden aangevoerd die meebrengen dat het bedrag van de opgelegde sanctie op de voet van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv, op nihil of lager moet worden vastgesteld.
10. Ten behoeve van de betrokkene wijst het hof er nog op dat op grond van de Regeling voertuigen de ruiten van een voertuig niet mogen zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van een bestuurder beperken. Onder omstandigheden kan ook het bevestigen van een mobiele telefoon in een houder op de ruit als onnodig voorwerp worden aangemerkt (zie bijvoorbeeld het arrest van dit hof van 15 januari 2024, te raadplegen op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2024:306).
11. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.