De ouders zijn in 2018 uit elkaar gegaan en hebben samen het gezag over hun twee kinderen, geboren in 2011 en 2012. Na een periode van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing bij de vader, heeft de rechtbank in september 2024 de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader vastgesteld. De moeder is het hier niet mee eens en gaat in hoger beroep.
Het hof heeft de feiten en omstandigheden zorgvuldig gewogen, waaronder het advies van de raad voor de kinderbescherming en de wensen van de kinderen zelf. De kinderen wonen sinds november 2022 bij de vader, hebben beperkt en begeleid contact met de moeder en ervaren rust en stabiliteit in hun huidige situatie. De moeder uit zorgen over het welzijn van de kinderen bij de vader en voelt zich onder druk gezet door de jeugdbescherming, maar het hof vindt hiervoor onvoldoende steun in het dossier.
Het hof concludeert dat de omstandigheden zijn gewijzigd sinds de oorspronkelijke afspraak over de hoofdverblijfplaats en dat het belang van de kinderen het beste gediend is met verblijf bij de vader. Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de rechtbank en compenseert de proceskosten, waarbij iedere ouder zijn eigen kosten draagt.