ECLI:NL:GHARL:2025:5885

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 september 2025
Publicatiedatum
25 september 2025
Zaaknummer
Wahv 200.339.585/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 6 EVRMArt. 9 WahvArt. 11 WahvArt. 8:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid en sanctie oplegging op grond van de Wahv

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep tegen een sanctiebesluit van de officier van justitie niet-ontvankelijk had verklaard wegens vermeend ontbreken van een deugdelijke machtiging. Het hof oordeelt dat de kantonrechter ten onrechte een uittreksel uit het Handelsregister heeft verlangd, omdat de brief van de administratie van de betrokkene voldoende aanwijst dat de gemachtigde bevoegd is.

Het hof vernietigt daarom de beslissing van de kantonrechter en gaat inhoudelijk in op het beroep tegen de sanctie van €150,- opgelegd aan de kentekenhouder voor het niet zoveel mogelijk rechts houden op een autoweg. De gemachtigde stelt dat de sanctie onterecht is omdat er een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder was, maar de ambtenaar daarvan heeft afgezien.

Het hof oordeelt dat het afzien van staandehouding vanwege het volgen van een ander voertuig met snelheidsovertreding een voldoende grond vormt en dat de sanctie terecht aan de kentekenhouder is opgelegd. Wel wordt de sanctie gematigd met 25% wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast worden proceskosten toegekend aan de betrokkene voor zowel de procedure bij de kantonrechter als in hoger beroep.

Uitkomst: Het gerechtshof vernietigt de niet-ontvankelijkheidsverklaring, matigt de sanctie tot €112,50 en veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.339.585/01
CJIB-nummer
: 245479766
Uitspraak d.d.
: 25 september 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 16 januari 2024, betreffende
mr. N.G.A. Voorbach,
kantoorhoudende te Zoetermeer,
beweerdelijk optredende voor

[betrokkene] Rotterdam B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

mr. N.G.A. Voorbach (hierna: Voorbach) heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat- kortgezegd - geen deugdelijke machtiging is overgelegd en Voorbach geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om dit verzuim te herstellen.
2. Voorbach voert aan dat de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Uit de machtiging van de betrokkene blijkt dat [gemachtigde] is gemachtigd om beroep in te stellen namens de betrokkene. [gemachtigde] heeft op zijn beurt weer de juristen van verkeersboete.nl gemachtigd. Op deze manier is voldoende duidelijk wat de bedoeling is. De kantonrechter heeft dit niet onderkend.
3. Het hof stelt vast dat de inleidende beschikking is gericht aan [betrokkene] B.V. Op 29 november 2021 is administratief beroep ingesteld door Voorbach. Het administratief beroep is door de officier van justitie inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard.
4. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wahv kan tegen de beslissing van de officier van justitie beroep worden ingesteld door de betrokkene. Dat is gedaan door Voorbach. Daarbij is een machtiging van 9 november 2021 van [gemachtigde] aan de juristen van verkeersboete.nl gevoegd. Verder bevat het dossier een niet ondertekende en niet gedateerde brief van de administratie van de betrokkene aan [gemachtigde] , als persoon die in de administratie van de betrokkene als berijder van het voertuig staat geregistreerd. Bij deze brief is de inleidende beschikking waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie is opgelegd, gevoegd. Daarbij wordt erop gewezen dat de aangeschreven persoon er voor zorg dient te dragen dat het boetebedrag tijdig wordt betaald en wordt deze persoon gewezen op de mogelijkheid om bezwaar in te stellen tegen de opgelegde sanctie. In de brief staat tevens vermeld dat de betrokkene verklaart dat de aangeschreven persoon gerechtigd is om namens de betrokkene beroep in te stellen.
5. Indien een ander dan de betrokkene beroep instelt, kan de rechter naar analogie van artikel 8:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht van degene die het heeft ingesteld, in dit geval Voorbach, een schriftelijke machtiging verlangen. Daartoe bestaat aanleiding als redelijkerwijze betwijfeld kan worden dat degene die beroep instelt namens de beroepsgerechtigde, daartoe ook bevoegd is.
6. De kantonrechter heeft de overgelegde informatie die betrekking heeft op de machtiging van de betrokkene, [betrokkene] B.V., aan [gemachtigde] onvoldoende geacht. Nu de betrokkene een rechtspersoon betreft, moeten stukken worden overgelegd waaruit blijkt dat degene die de machtiging aan [gemachtigde] heeft afgegeven, daartoe ook bevoegd is. Daartoe dient een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel te worden overgelegd, aldus de kantonrechter. Omdat Voorbach deze informatie niet heeft overgelegd, heeft de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
7. Naar het oordeel van het hof kan er redelijkerwijs niet aan worden getwijfeld dat de niet gedateerde en niet ondertekende brief van de administratie van de betrokkene in opdracht van de betrokkene is verstuurd en dat de administratie van de betrokkene daartoe ook de opdracht heeft gekregen van een of meer personen die bevoegd zijn de betrokkene in rechte te vertegenwoordigen. Het betreft een brief die - naar moet worden aangenomen - wordt toegezonden aan alle lessees van de van betrokkene geleasede voertuigen waarvoor de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd krijgt als met dat voertuig een gedraging zou zijn verricht. De kantonrechter heeft in redelijkheid niet deze brief ontoereikend kunnen achten en een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel kunnen verlangen. De kantonrechter heeft het beroep dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
8. Gelet op het voorgaande kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven. Het hof zal die beslissing dan ook vernietigen. Vervolgens zal het hof overgaan tot de beoordeling van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie, waarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard. Het hof beschouwt het hoger beroep als ingesteld namens de betrokkene.
9. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “niet zoveel mogelijk rechts houden op een autoweg of autosnelweg”. Deze gedraging zou zijn verricht op 5 november 2021 om 8.04 uur op de Rijksweg A4 in Schipluiden met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
10. De gemachtigde voert aan dat de sanctie ten onrechte is opgelegd aan de kentekenhouder omdat er een reële mogelijkheid was tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig. De ambtenaar verklaart dat hij heeft afgezien van staandehouding vanwege het volgen van een ander voertuig. Dit is op zichzelf geen reden om af te zien van staandehouding. Bovendien blijkt uit de verklaring van de ambtenaar dat hij de bestuurder van het betrokken voertuig over een afstand van vijf kilometer heeft gevolgd, waardoor de gedraging gedurende een lange periode kon worden vastgesteld en de ambtenaar een lange periode de mogelijkheid heeft gehad om de bestuurder staande te houden. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 6 april 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:3239) stelt de gemachtigde dat de ambtenaar (kort) had moeten omschrijven waarom de aard en de spoedeisendheid van het volgen van het andere voertuig aan staandehouding in de weg stond. Dat heeft de ambtenaar onvoldoende gedaan.
11. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
12. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat de bestuurder de 1 rijstrook volgde, over een afstand van ten minste 5000 meter. De rijstrook, welke rechts naast de gevolgde rijstrook was gelegen, was over die afstand geheel vrij van verkeer. Er waren geen omstandigheden die het niet zoveel mogelijk rechts houden noodzaakten. (…)
Reden geen staandehouding: daar wij een personenauto volgde welke een snelheidsovertreding beging.”
13. Uit de in het zaakoverzicht weergegeven verklaring van de ambtenaren kan worden afgeleid dat staandehouding wellicht feitelijk mogelijk was, maar dat daartoe niet is overgegaan omdat de ambtenaren op dat moment een auto aan het volgen waren waarmee een snelheidsovertreding werd begaan. Het hof is van oordeel dat dit voldoende grond vormt voor het oordeel dat er geen reële mogelijkheid was tot staandehouding van de bestuurder. Hierbij merkt het hof op dat het is voorbehouden aan ambtenaren om ingeval verschillende gedragingen worden geconstateerd en niet alle bestuurders kunnen worden staandegehouden, te bepalen aan welke staaandehouding prioriteit gegeven wordt. Daarbij kunnen de ambtenaren een eigen afweging maken en in hun afweging, zo moet hier ook worden aangenomen, de ernst van een gedraging of de omstandigheden waaronder die wordt verricht betrekken. De sanctie is dan ook terecht met toepassing van het bepaalde in artikel
5 van de Wahv aan de kentekenhouder opgelegd.
14. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in eerste aanleg is overschreden. De inleidende beschikking is op 15 november 2021 aan de betrokkene toegezonden en de kantonrechter heeft op 16 januari 2024 op het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beslist. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
15. De proceskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het verschijnen ter zitting van de kantonrechter van 16 januari 2024 dienen twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat de beslissing van de officier van justitie is bekendgemaakt vóór 1 januari 2024, past het hof op deze proceshandeling niet de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) toe.
16. De proceskosten in hoger beroep komen eveneens voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het hoger beroepschrift wordt één punt toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het hoger beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Nu de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt wordt, in aanmerking genomen het arrest van dit hof van 11 september 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:5551), het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met de factor 0,25.
17. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van
€ 1.020,38 (= (2 x € 907,- x 0,5) + (1 x € 907,- x 0,5 x 0,25)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in
€ 112,50;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.020,38.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.