Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van een onroerende zaak gebruikt als kinderdagverblijf, vastgesteld op € 370.000. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond maar kende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.
In hoger beroep betwistte belanghebbende de vastgestelde WOZ-waarde en de hoogte van de immateriële schadevergoeding en griffierechtvergoeding. Het hof stelde vast dat de WOZ-waarde op basis van de gecorrigeerde vervangingswaarde correct was vastgesteld. De door belanghebbende aangevoerde lagere restwaarde kon niet worden gehonoreerd, mede omdat de functionele veroudering onvoldoende was onderbouwd.
Het hof oordeelde dat de immateriële schadevergoeding wegens de overschrijding van ruim veertien maanden in bezwaar en beroep hoger moest worden vastgesteld op € 1.500, conform vaste jurisprudentie. De vergoeding werd naar rato toegerekend aan de heffingsambtenaar en de Staat. Tevens werden griffierechten en proceskosten gedeeltelijk toegewezen. Het hoger beroep werd derhalve gegrond verklaard voor de vergoeding van immateriële schade en griffierechten, maar de WOZ-waarde werd bevestigd.