Het huwelijk van partijen werd in 2022 ontbonden. De rechtbank Noord-Nederland stelde in september 2024 partneralimentatie vast op €824,- bruto per maand en kinderalimentatie op €442,- per maand. De vrouw stelde hoger beroep in tegen de hoogte van de partneralimentatie en verzocht verhoging tot €1.250,- bruto per maand met ingang van 4 september 2024. De man kwam in incidenteel hoger beroep en verzocht verkorting van de duur van de alimentatie tot vijf jaar.
Tijdens de procedure werd vastgesteld dat de vrouw arbeidsongeschikt is en een WIA-uitkering ontvangt, terwijl het inkomen van de man in 2025 is gestegen tot €82.988,-. Tevens is de man met zijn nieuwe partner in februari 2025 een nieuwe woning gaan bewonen, wat wijziging van woonlasten met zich meebrengt. Het hof oordeelde dat de verhoging van partneralimentatie pas per 1 januari 2025 kan ingaan, omdat de man pas vanaf het indienen van het beroepschrift op 2 december 2024 rekening kon houden met een hogere bijdrage.
De behoefte van de vrouw werd vastgesteld op circa €2.498,50 bruto per maand in 2025. Het hof verwierp het betoog van de man dat de behoefte is verbleekt en wees zijn verzoek tot verkorting van de alimentatieduur af, omdat onvoldoende is gesteld dat de vrouw na verkorting in haar levensonderhoud kan voorzien. De woonlasten van de man werden op basis van een verdeling van 50% tussen hem en zijn partner vastgesteld, wat leidde tot een draagkrachtberekening van €1.429,- bruto per maand na aftrek van kinderalimentatie.
Het hof bepaalde dat de man met ingang van 1 januari 2025 een partneralimentatie van €1.331,25 bruto per maand moet betalen, met bekrachtiging van de eerdere beschikking voor de periode van 4 september 2024 tot 1 januari 2025. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en overige verzoeken zijn afgewezen.