Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2025:5996

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 oktober 2025
Publicatiedatum
2 oktober 2025
Zaaknummer
Wahv 200.350.823
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 13a Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen proceskostenvergoeding bij overschrijding redelijke termijn in Mulderzaak

De betrokkene kreeg een sanctie van €250 opgelegd voor het niet volgen van de voorsorteerstrook op een kruispunt. De kantonrechter mat de sanctie met 25% vanwege overschrijding van de redelijke termijn van berechting en kende een proceskostenvergoeding toe met een wegingsfactor van 0,25.

De gemachtigde van de betrokkene stelde dat deze wegingsfactor onjuist was toegepast en verwees naar eerdere arresten. Het hof oordeelde dat de kantonrechter onvoldoende had gemotiveerd waarom een lagere wegingsfactor dan 0,5 werd toegepast, ook al ging het beroep alleen over de termijnoverschrijding.

Het hof vernietigde daarom het besluit over de proceskostenvergoeding en stelde dat de juiste wegingsfactor 0,5 is voor Mulderzaken waarin de betrokkene inhoudelijk in het gelijk wordt gesteld. De proceskostenvergoeding werd vastgesteld op €929,68, bestaande uit kosten in de eerste aanleg en in hoger beroep.

De advocaat-generaal werd veroordeeld tot vergoeding van deze kosten. Het arrest werd gewezen door mr. Wijma en uitgesproken in een openbare zitting.

Uitkomst: Het hof vernietigt de beslissing over de proceskostenvergoeding en veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van €929,68 aan proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.350.823/01
CJIB-nummer
: 253603722
Uitspraak d.d.
: 2 oktober 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2025, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats]
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 187,50. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 226,75.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “op een kruispunt niet de richting volgen die de voorsorteerstrook aangeeft”. Deze gedraging zou zijn verricht op 5 november 2022 om 16.39 uur op de Nieuwe Purmerweg in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [de kenteken]
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter bij de toekenning van de proceskostenvergoeding ten onrechte de wegingsfactor 0,25 heeft toegepast. De beslissing komt voor vernietiging in aanmerking. Hierbij verwijst de gemachtigde naar de arresten van het hof van 11 augustus 2023, 17 april 2023, 30 maart 2023 en 10 februari 2025. [1]
3. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie met 25 procent gematigd, omdat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden en daarin aanleiding gezien het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen. De kantonrechter heeft in dit verband overwogen dat, nu het beroep alleen ziet op de overschrijding van de redelijke termijn van berechting en door de gemachtigde geen inhoudelijk verweer is gevoerd met betrekking tot de inleidende beschikking, de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) wordt toegepast.
4. De betrokkene is met de wijziging van het sanctiebedrag inhoudelijk (gedeeltelijk) in het gelijkgesteld. De kantonrechter heeft terecht een proceskostenvergoeding toegekend. Met betrekking tot de hoogte daarvan overweegt het hof dat het uitgangspunt is dat de wegingsfactor van een Mulderzaak waarbij de betrokkene inhoudelijk in het gelijk wordt gesteld 0,5 (gewicht van de zaak = licht) is. Dit geldt ook als het sanctiebedrag uitsluitend wordt gematigd in verband met overschrijding van de redelijke termijn van berechting. [2]
5. Het begrip ‘gewicht van de zaak’ dient te worden opgevat als het belang en de ingewikkeldheid van de in administratief beroep of in de (hoger) beroepsfase als geheel voorliggende geschilpunten. Daarbij dient te worden gekeken naar de aard van de zaak, waaronder begrepen het soort zaak, de omvang van het dossier en het onderwerp van geschil. Het gaat daarbij - met het oog op een uniforme en voorspelbare toepassing van het recht - om het gewicht van een zaak, zoals deze zich doorgaans voordoet. De meeste Mulderzaken zijn feitelijk en juridisch gezien vrij eenvoudig van aard. Dat komt tot uitdrukking in vorengenoemde vaste jurisprudentie in Mulderzaken. [3]
6. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter onvoldoende gemotiveerd waarom een wegingsfactor van 0,25 wordt toegepast. De enkele motivering dat door de gemachtigde geen inhoudelijk verweer is gevoerd en het beroep alleen ziet op de overschrijding van de redelijke termijn van berechting is daartoe onvoldoende. De aangevoerde grond slaagt. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding, en doen hetgeen de kantonrechter zou behoren te doen.
7. De matiging van het sanctiebedrag vindt uitsluitend zijn grondslag in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking. [4] Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het verschijnen ter zitting van de kantonrechter dienen twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast (vgl. het arrest van het hof van
21 januari 2025). [5] Het hof zal de advocaat-generaal aldus veroordelen voor de in beroep bij de kantonrechter gemaakt proceskosten tot een bedrag van € 907,- (2 x € 907,- x 0,5).
8. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 907,-. Omdat de betrokkene in hoger beroep alleen in het gelijk wordt gesteld ten aanzien van de proceskostenvergoeding, wordt de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 bekend is gemaakt en gelet op het bepaalde in het arrest van het hof van 11 september 2025 [6] , past het hof op de in hoger beroep verrichte proceshandeling de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv (nieuw) toe. Het hof zal de advocaat-generaal in deze zaak aldus veroordelen voor de in hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 22,68 (= (1 x € 907,- x 0,25 x 0,1).
9. Gelet op het voorgaande bedraagt de vergoeding voor de gemaakte proceskosten € 929,68
(= € 907,- + € 22,68).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 929,68.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Reuver als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

Voetnoten

1.Zie ECLI:NL:GHARL:2023:6787, 2023:3248, 2023:2270 en 2025:245.
2.Vgl. het arrest van het hof van 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7764.
3.Vgl. het arrest van het hof van 20 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4173.
4.Vgl. het arrest van het hof van 20 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4173.