Belanghebbende stelde beroep in tegen de WOZ-waarde vastgesteld door de heffingsambtenaar. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het bezwaar volledig was gehonoreerd en het standpunt over de waarde pas in de zitting werd ingenomen, wat als misbruik van procesrecht werd gezien. Tevens werd het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen omdat de spanning en frustratie geacht werden te zijn geëindigd.
In hoger beroep heeft het Hof het geschil inhoudelijk beoordeeld binnen een cluster van 423 zaken met vergelijkbare problematiek. Het Hof constateerde dat belanghebbende geen concrete gronden aanvoerde tegen de niet-ontvankelijkverklaring en dat de redelijke termijn nog niet was verstreken. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd daarom afgewezen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waarbij het Hof ook geen aanleiding zag voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2025.