ECLI:NL:GHARL:2025:6337

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 oktober 2025
Publicatiedatum
14 oktober 2025
Zaaknummer
200.356.689
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 onder a en b BWArt. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing kwetsbare minderjarige voor een jaar

De moeder van een achtjarige minderjarige is in hoger beroep gegaan tegen de beslissing van de kinderrechter die de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van haar kind voor de duur van een jaar heeft bevolen. De moeder wilde een kortere duur van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, terwijl de raad en de gecertificeerde instelling (GI) de beslissing in stand wilden houden.

Het hof heeft vastgesteld dat de minderjarige sinds april 2024 in een pleeggezin verblijft vanwege ernstige zorgen over zijn ontwikkeling, waaronder toenemend fysiek geweld en vastlopen op alle ontwikkelingsgebieden. De moeder heeft het gezag, maar werkt onvoldoende mee aan vrijwillige hulpverlening en is pas kort geleden gestart met emotieregulatietherapie.

Het hof oordeelt dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk blijven voor de duur van een jaar, mede gelet op de complexe en langdurige problematiek van de minderjarige en het belang van het inzetten van passende hulp. Het hof benadrukt het belang van het perspectief op hereniging met de ouders en verwijst naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De beslissing van de kinderrechter wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarige voor de duur van een jaar.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.356.689
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 590621
beschikking van 14 oktober 2025
over de uithuisplaatsing van
[de minderjarige]
in de zaak van
[verzoekster]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. L.C. Fuijkschot
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
die is gevestigd in Utrecht
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI)
die is gevestigd in Amsterdam

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft [de minderjarige] onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst met ingang van 11 april 2025 tot 11 april 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder is de ouder van [de minderjarige] , geboren [in] 2017. Zij heeft het gezag over [de minderjarige] .
2.2
[naam] is de biologische vader van [de minderjarige] . Hij heeft [de minderjarige] niet erkend.
2.3
[de minderjarige] verblijft sinds 6 april 2024 in een pleeggezin.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De raad heeft de kinderrechter verzocht [de minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI en hem uit huis te plaatsen bij een pleeggezin voor de duur van een jaar.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de raad mondeling toegewezen op 11 april 2025. Die beslissing is vervolgens op schrift gesteld op 24 april 2025. De mondelinge uitspraak is de bestreden beschikking.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter voor zover deze ziet op de duur van de ondertoezichtstelling en op de (duur van de) uithuisplaatsing. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt. De moeder verzoekt het hof:
- primair de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen en de ondertoezichtstelling slechts te verlenen voor de duur van zes maanden,
- subsidiair de ondertoezichtstelling te verlenen voor de duur van negen maanden en de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden.
4.2.
De raad en de GI willen dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ingekomen op 9 juli 2025
  • een journaalbericht van mr. Fuijkschot van 3 september 2025 met bijlage
4.4.
[de minderjarige] is uitgenodigd te vertellen wat hij vindt van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Hij heeft geschreven dat hij niet komt.
4.5.
De zitting bij het hof was op 18 september 2025.
Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat
  • een vertegenwoordiger van de raad
  • een vertegenwoordiger van de GI

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening.
Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen [1] . Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.
5.2
De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De kinderrechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen [2] .
Hoe oordeelt het hof?
5.3
Het hof is met de kinderrechter van oordeel dat [de minderjarige] onder toezicht moet worden gesteld voor de duur van een jaar. Op de mondelinge behandeling van het hof heeft de moeder gesteld dat zij zich niet gehoord voelt door de GI en dat zij te weinig wordt betrokken bij [de minderjarige] . Verder wil de moeder graag dat de GI actiever werkt aan de gestelde doelen. De GI heeft aangevoerd dat de zorgen over de kwetsbare achtjarige [de minderjarige] de laatste periode groter zijn geworden. Er is een forse toename van fysiek geweld van [de minderjarige] naar anderen en naar goederen zowel op school als in het pleeggezin. [de minderjarige] loopt vast op alle ontwikkelingsgebieden. Het hof constateert dat deze ontwikkelingen met betrekking tot [de minderjarige] niet in geschil zijn en dit baart het hof zorgen. Het is dan ook belangrijk dat [de minderjarige] hulp krijgt voor de complexe en langdurige problematiek. Hij wacht op behandeling voor zijn hechtings- en traumaproblematiek. Er is veel onrust in de situatie van [de minderjarige] en dat is voor hem geen goede basis om te kunnen werken aan zijn problematiek. [de minderjarige] ziet de moeder twee keer per week. Deze bezoeken zijn nog steeds begeleid en die verlopen lastig. De moeder zou [de minderjarige] nog steeds belasten met volwassen zaken, zoals met deze zaak. Volgens de GI is de moeder hierop moeilijk aanspreekbaar.
Kortom, er is nog een lange weg te gaan. Hierbij neemt het hof ook mee dat de moeder pas kort geleden is gestart met emotieregulatietherapie (ook een doel). De moeder heeft pas twee gesprekken gehad en zal de komende periode hiermee nog bezig zijn.
Het hof ziet dan ook niet in hoe de doelen van de ondertoezichtstelling binnen een kortere periode dan een jaar kunnen worden behaald.
5.4
Volgens de GI is de hiervoor genoemde onrust rondom [de minderjarige] in combinatie met het loyaliteitsconflict waarin [de minderjarige] zit en het feit dat hij momenteel vastloopt op alle ontwikkelingsgebieden de reden dat er een perspectiefonderzoek zal worden ingezet. Naar het oordeel van het hof zet de GI wel snel het perspectiefonderzoek in en lijkt zij in haar handelswijze erg gericht te zijn op de uitkomst daarvan. De machtiging tot uithuisplaatsing is nog geen half jaar geleden afgegeven. Het hof overweegt dat het voor [de minderjarige] juist belangrijk is om zo snel mogelijk de juiste hulp in te zetten en om daarbij goed te onderzoeken of kan worden toegewerkt naar thuisplaatsing. Het hof verwijst naar de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 15 april 2025 (Van Slooten/Nederland) waarin duidelijk wordt dat de herenigingsdoelstelling met de ouders niet te snel uit het oog mag worden verloren.
5.5
De machtiging voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin loopt tot 11 april 2026. Het hof is met de kinderrechter van oordeel dat [de minderjarige] voorlopig nog niet thuis kan wonen. De moeder kan dat niet aan en [de minderjarige] is kwetsbaar en heeft al langdurig ingewikkelde problematiek. Daarbij is onderzoek noodzakelijk. Het hof ziet dan ook geen mogelijkheden de periode van de machtiging te verkorten en sluit zich hiervoor aan bij het op de zitting gegeven advies van de raad.
De beslissing van de kinderrechter zal in stand blijven (worden bekrachtigd).

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 11 april 2025.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, R. Feunekes en I.J. Pieters, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2025.

Voetnoten

1.artikel 1:255 lid 1 onder Pro a en b BW
2.artikel 1:265b lid 1 BW.