In deze zaak heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, op 11 april 2025 de minderjarige [de minderjarige] onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. De ondertoezichtstelling is vastgesteld voor de duur van een jaar, tot 11 april 2026. De moeder van [de minderjarige], die het gezag heeft, is het niet eens met deze beslissing en heeft hoger beroep aangetekend bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Zij verzoekt het hof om de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen en de ondertoezichtstelling te beperken tot zes maanden, of in ieder geval tot negen maanden.
Het hof heeft de zaak op 18 september 2025 behandeld. De moeder heeft aangegeven zich niet gehoord te voelen door de gecertificeerde instelling (GI) en dat zij onvoldoende betrokken wordt bij de zorg voor [de minderjarige]. De GI heeft echter aangegeven dat de zorgen over [de minderjarige] zijn toegenomen, met name door fysiek geweld en problemen op school. Het hof heeft vastgesteld dat de situatie van [de minderjarige] zorgwekkend is en dat hij hulp nodig heeft voor zijn hechtings- en traumaproblematiek.
Na afweging van de argumenten van de moeder en de GI, heeft het hof besloten de beschikking van de kinderrechter te bekrachtigen. Het hof is van oordeel dat de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling van [de minderjarige]. De moeder is nog niet in staat om de zorg voor [de minderjarige] op zich te nemen, en er is behoefte aan verder onderzoek en ondersteuning. De beslissing van de kinderrechter blijft dus in stand.