ECLI:NL:GHARL:2025:6498

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
21 oktober 2025
Zaaknummer
Wahv 200.344.174
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WahvArt. 14 WahvArt. 6:2 AwbArt. 6:20 AwbArt. 47 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet tijdig beslissen op administratief beroep in Wahv-zaken

De betrokkene stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn administratief beroep door de officier van justitie in een zaak onder de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk en nam de beslissing in een meervoudige kamer, terwijl de wet enkelvoudige kantonrechtspraak voorschrijft.

Het hof constateerde dat de beslissing van de rechtbank nietig is vanwege het ontbreken van wettelijke grondslag voor meervoudige kantonrechtspraak. Het vernietigde daarom deze beslissing en nam de taak over die de kantonrechter had moeten uitvoeren. De officier van justitie had alsnog beslist op het administratief beroep, maar liet het verzoek om vaststelling van de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom onbeantwoord.

Het hof oordeelde dat de officier van justitie vanaf 19 januari 2024 een dwangsom verschuldigd is voor de maximale periode van 42 dagen, ter hoogte van € 1.442,- vermeerderd met wettelijke rente. De betrokkene werd echter niet in het gelijk gesteld in de zin van recht op proceskostenvergoeding, omdat het beroep niet gericht was op vernietiging of wijziging van de inleidende beschikking.

Verder verwierp het hof het betoog dat het niet toekennen van proceskostenvergoeding in Wahv-zaken strijdig is met het discriminatieverbod van het EVRM. Het onderscheid tussen Wahv-zaken en andere bestuursrechtelijke dwangsomzaken is gerechtvaardigd vanwege het eigen karakter van de Wahv en de beperkte toekenning van proceskostenvergoedingen daarin.

Het hof vernietigde de beslissing van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, legde de dwangsom op en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het hof vernietigt de beslissing van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond, legt een dwangsom op en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.344.174/01
CJIB-nummer
: 256905744
Uitspraak d.d.
: 21 oktober 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de rechtbank MiddenNederland van
7 mei 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is Y. el Mathari, kantoorhoudende te Almere.

De beslissing

De rechtbank heeft het beroep van de betrokkene tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het administratief beroep door de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.
De gemachtigde van de betrokkene heeft hierop nog een reactie gegeven. Een kopie daarvan is doorgestuurd naar de advocaat-generaal.

De beoordeling

1. De betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het administratief beroep door de officier van justitie. De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep van de betrokkene (en 432 beroepen van andere betrokkenen) niet-ontvankelijk verklaard. Het hof merkt de beslissing van de meervoudige kamer van de rechtbank aan als beslissing van de kantonrechter waartegen op grond van artikel 14 van Pro de Wahv hoger beroep bij het hof openstaat.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de wet niet voorziet in de mogelijkheid dat de kantonrechter een zaak behandelt en beslist in een meervoudige kamer.
3. In artikel 9, eerste lid, van de Wahv is bepaald dat degene die administratief beroep heeft ingesteld beroep kan instellen bij de rechtbank tegen de beslissing van de officier van justitie en dat het beroep wordt behandeld door de kantonrechter. Een beroep tegen het niet tijdig beslissen op het administratief beroepschrift, dat gelet op artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelijkgesteld wordt met een beslissing op het administratief beroep, wordt ook door de kantonrechter behandeld.
4. In artikel 47, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie is bepaald dat het bestuur van de rechtbank voor het behandelen en beslissen van kantonzaken enkelvoudige kamers vormt en de bezetting daarvan bepaalt. Verder is in artikel 5, tweede lid, van deze wet bepaald dat, op straffe van nietigheid, beschikkingen, vonnissen en arresten in burgerlijke zaken en strafzaken gewezen en de uitspraken in bestuursrechtelijke zaken worden gedaan met het in deze wet bepaalde aantal rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast. Uit deze artikelen volgt dat de wet niet voorziet in de mogelijkheid van meervoudige kantonrechtspraak. [1]
5. In deze zaak is een beslissing genomen door de meervoudige kamer, terwijl de wet voorschrijft dat de beslissing wordt genomen door de enkelvoudige kamer (de kantonrechter). Gelet hierop is de beslissing van de rechtbank nietig. Het hof zal de beslissing daarom vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen.
6. Tegen het niet tijdig beslissen op het administratief beroep van de betrokkene heeft de gemachtigde beroep ingesteld bij de kantonrechter De officier van justitie heeft, voordat op dit beroep was beslist, alsnog beslist op het administratief beroep. Gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb wordt het beroep tegen het niet tijdig beslissen mede geacht te zijn gericht tegen de beslissing van de officier van justitie. De officier van justitie heeft, bij op 9 april 2024 verzonden beslissing, het beroep ongegrond verklaard. Het beroep van de betrokkene richt zich slechts tegen de beslissing van de officier van justitie voor zover niet is beslist op het verzoek tot vaststelling van de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom.
7. Nadat de termijn om de beslissen op het administratief beroep was verstreken, heeft de gemachtigde bij brief van 2 januari 2024, door de officier van justitie ontvangen op 4 januari 2024, de officier van justitie in gebreke gesteld. De officier van justitie heeft ten onrechte niet beslist op het verzoek om vaststelling van de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom. De officier van justitie is gelet op het voorgaande vanaf 19 januari 2024 een dwangsom verschuldigd. De officier van justitie is een dwangsom verschuldigd voor de maximale periode van 42 dagen. De hoogte van de dwangsom bedraagt € 1.442,- te vermeerderen met wettelijke rente.
8. De gemachtigde voert tot slot aan dat de proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen omdat het arrest van het hof van 18 mei 2021, [2] waar de advocaat-generaal naar verwijst, niet de conclusie wettigt dat bij een gegrond beroep niet tijdig beslissen geen recht bestaat op een proceskostenveroordeling. Bij een beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen gaat het niet om de vraag of de sanctie terecht is opgelegd, maar of de officier van justitie tijdig op het beroep heeft beslist en zo nee, wat de hoogte van de dwangsom is. Indien het beroep niet tijdig beslissen gegrond is, heeft de betrokkene geheel terecht rechtsmiddelen aangewend tegen het nalaten van de officier van justitie om tijdig op het administratief beroep te beslissen. Het rechtsmiddel van beroep niet tijdig beslissen brengt de betrokkene wel ergens, de officier van justitie is dan immers een dwangsom verschuldigd. De betrokkene heeft daarom wel een rechtens te respecteren belang bij de vergoeding van proceskosten die hij redelijkerwijs heeft moeten maken doordat de officier van justitie heeft verzuimd om tijdig op het administratief beroep te beslissen. Dit is anders dan in de zaak die ten grondslag lag aan het arrest van de Hoge Raad van 7 april 2020 [3] en het arrest van het hof van
28 april 2020, [4] waar het ging om zuivere vormfouten, die niet rechtstreeks relevant waren voor de inzet van de zaak, namelijk de beoordeling van de rechtmatigheid van de opgelegde sanctie. De gemachtigde wijst er daarbij op dat in de rechtspraak van alle hoogste bestuursrechters de gegrondverklaring van een beroep niet tijdig beslissen zonder meer resulteert in een proceskostenvergoeding ten laste van het bestuursorgaan, ongeacht of het bezwaar/beroep tegen het reële besluit ontvankelijk en/of gegrond is. De vaststelling van de verschuldigdheid van een dwangsom levert daarbij een zelfstandig procesbelang op. De totstandkomingsgeschiedenis van de Wahv noch die van de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen bevatten een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het maken van een dergelijk onderscheid tussen Wahv-procedures en andere bestuursrechtelijke procedures. Het niet toekennen van een proceskostenvergoeding bij een gegrond beroep niet tijdig beslissen in Wahv-zaken is daarom in strijd met het discriminatieverbod van artikel 14 van Pro het van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM.
9. De betrokkene wordt niet in het gelijk gesteld in de zin van de arresten van het hof van
28 april 2020 en 1 april 2021. [5] Er is daarom geen aanleiding tot het toekennen van een proceskostenvergoeding. Het hof heeft in het door de gemachtigde genoemde arrest van 18 mei 2021 geoordeeld dat, anders dan waar het gaat om de vaststelling van de juiste proceskostenvergoeding indien een betrokkene in het gelijk is gesteld, de juistheid van de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom niet in zodanig verband staat tot het in het gelijk stellen van de betrokkene dat toekenning van een vergoeding daarvoor redelijk is. Het hof ziet in wat de gemachtigde aanvoert geen reden daarover nu anders te oordelen. Het hof wijst daarbij op het arrest van 28 april 2020 waarin het hof heeft overwogen dat het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een op basis van de Wahv opgelegde sanctie er in het algemeen op dient te zijn gericht die sanctie ongedaan te maken dan wel het te betalen bedrag te verlagen en dat een ander doel kan zijn het aankaarten van vermeende fouten in de sanctiebeschikking om te bewerkstellingen dat de beschikking op grond daarvan wordt vernietigd of gewijzigd. Daar is geen sprake van. In dit geval wordt de inleidende beschikking niet vernietigd of gewijzigd.
10. Artikel 14 van Pro het EVRM en artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol van het EVRM verbieden niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, maar alleen die waarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. [6] Het onderscheid tussen een proceskostenvergoeding in dwangsomzaken in het kader van de Wahv en proceskostenvergoedingen in dwangsomzaken in het kader van andere wetgeving is geen onderscheid op grond van een inherent, dat wil zeggen onafscheidelijk aan een persoon verbonden criterium, zoals geslacht of ras. Bij de beantwoording van de vraag of het gemaakte onderscheid discriminerend is, is de vraag of proceskostenvergoedingen in Wahv-dwangsomzaken en in overige dwangsomzaken als gelijke gevallen zijn aan te merken. Als dat zo is, is vervolgens de vraag of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor de ongelijke behandeling. In dat kader moet worden beoordeeld of sprake is van een legitiem doel en of de gekozen ongelijke behandeling redelijk en geschikt is om dat doel te bereiken. Aan de wetgever komt in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd, en, als dat zo is, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen toch verschillend te behandelen.
11. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken van strijd met het discriminatieverbod. Er is geen sprake van gelijke gevallen. De proceskostenvergoeding in Wahv-dwangsomzaken verschilt met proceskostenvergoedingen in andere dwangsomzaken in die zin dat in Wahv-zaken geen proceskostenvergoeding wordt toegekend indien een beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond wordt verklaard, terwijl dat in andere bestuursrechtelijke zaken wel het geval is. Dit verschil hangt samen met de beperkte toekenning van proceskostenvergoedingen in het kader van de Wahv. In Wahv-zaken wordt geen proceskostenvergoeding toegekend als het beroep wel gegrond wordt verklaard, maar de inleidende beschikking niet wordt vernietigd of gewijzigd. Dit is anders dan in andere bestuursrechtelijke zaken. Het hof wijst er daarbij op dat, zoals de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 7 april 2020, [7] het hof bij het bepalen van het antwoord op de vraag wanneer sprake is van het in het gelijk stellen sprake is, een grote mate van beoordelingsvrijheid toekomt, mede gelet op het eigenstandige karakter van de Wahv. Dit vormt een voldoende rechtvaardiging voor het onderscheid met andere bestuursrechtelijke zaken.
12. Gelet op het voorgaande zal het hof beslissen als hierna vermeld.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de rechtbank;
verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het administratief beroep gegrond;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie, voor zover niet is beslist op het verzoek om vaststelling van de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op het administratief beroep, gegrond en vernietigt die beslissing in zoverre;
bepaalt dat de officier van justitie aan de betrokkene een dwangsom van € 1.442,- (met wettelijke rente) is verschuldigd;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

Voetnoten

1.vgl. ook de uitspraak van de Hoge Raad van 22 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1724.
6.vgl. o.a. Europees Hof voor de Rechten van de Mens 19 december 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:1219JUD002045214, Molla Sali v Griekenland.