Belanghebbende voerde hoger beroep tegen naheffingsaanslagen, belastingrentebeschikkingen en verzuimboetes opgelegd door de Inspecteur voor de jaren 2015 tot en met juni 2019 betreffende accijns op waterpijptabak. De Inspecteur baseerde de naheffing op een schatting van de hoeveelheid tabak per verkochte kop, waarbij sprake was van gebreken in de administratie van belanghebbende en het ontbreken van facturen van Duitse tabak.
Het Hof stelde vast dat de administratie van belanghebbende onvolledig was en dat de Inspecteur terecht de bewijslast had omgekeerd en verzwaard. De Inspecteur gebruikte een gemiddelde hoeveelheid van 20 gram tabak per kop, gebaseerd op een weging van vijf koppen in 2019, maar het Hof vond deze onderbouwing onvoldoende betrouwbaar en vond dat de Inspecteur had moeten uitgaan van het bestaande beleid van 15 gram per kop.
Het Hof heeft de naheffingsaanslagen dienovereenkomstig verminderd met 25% en ook de boetes met 10%, mede vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De belastingrente bleef gehandhaafd. Belanghebbende had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslagen onjuist waren. Het Hof veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.