Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
19 februari 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft drie woninginbraken in Houten binnen een periode van iets meer dan drie weken. Bij verdachte werden zowel delen van de buit als de gebruikte inbrekerswerktuigen aangetroffen, wat het bewijs van daderschap versterkt. De verdediging voerde een bewijsklacht aan, maar de Hoge Raad oordeelde dat de bewijsmotivering niet ontoereikend of onbegrijpelijk was.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. De straf werd verminderd van vijftien maanden (waarvan drie maanden voorwaardelijk) naar veertien maanden en een week, eveneens met drie maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar. Deze vermindering volgde uit de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
Het beroep van verdachte werd voor het overige verworpen, waarmee het bewijs van daderschap en de overige aspecten van het vonnis ongewijzigd bleven. De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 19 februari 2019.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot veertien maanden en een week wegens overschrijding van de redelijke termijn, het bewijs van daderschap bleef ongewijzigd.