Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2025:6776

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
24/2041
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 lid 2 Wet WOZArt. 6:17 AwbArt. 6:22 AwbArt. 7:4 lid 2 AwbArt. 2 lid 2 Bpb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging schending toezendplicht Wet WOZ en proceskostenvergoeding

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning en verzocht herhaaldelijk om toezending van het taxatieverslag met KOUDV-factoren per post, omdat hij niet kon inloggen in het digitale systeem Dboxx. De heffingsambtenaar verwees steeds naar digitale inzage en stelde dat hulp was aangeboden, maar kon niet aannemelijk maken dat het taxatieverslag per post was verzonden.

De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar kende een proceskostenvergoeding toe wegens schending van de toezendplicht. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen de matiging van deze vergoeding, terwijl de heffingsambtenaar incidenteel hoger beroep instelde tegen de vaststelling van de schending.

Het Hof oordeelt dat de toezendplicht van artikel 40, lid 2, Wet WOZ is geschonden omdat het taxatieverslag niet tijdig en schriftelijk is verstrekt. De digitale beschikbaarheid volstaat niet als de gemachtigde niet kon inloggen en geen alternatieve toezending plaatsvond. De proceskostenvergoeding is terecht toegekend en gematigd door de Rechtbank. Het hoger beroep en het incidentele hoger beroep worden ongegrond verklaard en de heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot betaling van €907 aan proceskosten.

Uitkomst: Het hof bevestigt de schending van de toezendplicht en veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van €907 aan proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/2041
uitspraakdatum: 28 oktober 2025
Uitspraak van de eerste enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank) van 29 oktober 2024, nummer ZWO 23/2537,
en het incidenteel hoger beroep van
de heffingsambtenaarvan de
regionale belastingsamenwerking Deventer, Olst-Wijhe en Raalte(hierna: de heffingsambtenaar)
in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 47 te [plaats1] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2022, voor het jaar 2023 vastgesteld op € 307.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd.
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] namens belanghebbende, alsmede [naam2] namens de heffingsambtenaar.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de woning.
2.2.
De beschikking en de aanslag OZB zijn gedagtekend op 25 februari 2023. Namens belanghebbende is met dagtekening 14 maart 2023, door de heffingsambtenaar ontvangen op 22 maart 2023, bezwaar gemaakt tegen de beschikking en de aanslag. In het bezwaarschrift is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“lk verzoek u mij de taxatiekaart met vermelding van de KOLDU factoren te sturen zodat ik de
waarde nader kan beoordelen.”
2.3.
Op 24 maart 2023 vraagt de gemachtigde per e-mail of de heffingsambtenaar de opgevraagde stukken in het bezwaarschrift per post kan toesturen.
2.4.
Op 27 maart 2023 antwoordt de heffingsambtenaar de gemachtigde als volgt:
“Op het taxatieverslag (te downloaden via de Dboxx) staan de KOUDV factoren vermeld. Daarnaast werken wij sinds belastingjaar 2022 met een verantwoordingsdocument. Hierover bent u geïnformeerd in de aankondigingsbrief via de mail op 23 januari 2023 en in de ontvangstbevestiging. In het verantwoordingsdocument treft u o.a. de grondstaffels en het bijgebouwenmodel aan. Hieronder treft u de link naar het verantwoordingsdocument: Verantwoording waardebepaling woningen en niet-woningen | Gemeente Deventer”
2.5.
Op 27 maart 2023 antwoordt de gemachtigde dat hij “helaas geen informatica heeft gestudeerd”. Hij verzoekt de heffingsambtenaar de stukken per post te sturen.
2.6.
Op 30 maart 2023 antwoordt de heffingsambtenaar de gemachtigde als volgt:
“Geachte heer [naam1] ,
Dank voor uw bericht.
Gelukkig hoeft u geen informatica gestudeerd te hebben. Door middel van de gegevens op het taxatieverslag en het verantwoordingsdocument heeft u inzicht in de in het geautomatiseerde proces (modelmatig waarderen) gemaakte keuzes en van de daarbij gebruikte gegevens en aannames door de DOWR. Deze kunt u op deze manier controleren en zo nodig gemotiveerd betwisten.
lk stuur u de link naar het verantwoordingsdocument nog even mee. (…)
De documenten voor de gemeente Olst Wijhe en Raalte vindt u via deze linken. (…)
Voor het downloaden van de taxatieverslagen heeft u via een aparte mail een activatielink ontvangen. Als dit niet lukt kunt u altijd even bellen. We helpen u graag.”
2.7.
Op 8 april 2023 bericht de gemachtigde de heffingsambtenaar als volgt:
“Geachte heer/mevrouw,
lk verzoek u mij de taxatiekaarten met oa koldu factoren z.s.m per post te sturen en niet via een digitale code met wachtwoorden want ik heb dat geprobeerd, maar het werkt niet. ik kom niet in het systeem. Worden de uitspraken t.z.t wel per post verstuurd? Dat is voor mij van belang om te weten zodat ik niets mis. Bovendien heb ik ook nooit ingestemd om de procedure digitaal te voeren. De bezwaren heb ik ook allemaal schriftelijk ingediend. Van de bezwaren die ik de afgelopen drie weken heb ingediend, heb ik nog geen ontvangstbevestiging ontvangen.”
2.8.
Op 8 april 2023 bericht de heffingsambtenaar de gemachtigde onder meer als volgt:

Taxatieverslag
Vanaf de dagtekening van de aanslag downloadt u zelf de benodigde taxatieverslagen van uw client(en). Deze taxatieverslagen worden u voor het belastingjaar 2023 niet toegezonden. Begin januari 2023 heeft u hierover een mail ontvangen. De link hiervoor is https://www.dboxx.nl/”
2.9.
Op 30 april 2023 bericht de gemachtigde de heffingsambtenaar als volgt:
“Geachte heer/mevrouw,
U gaf de mogelijkheid om schriftelijk te horen. Even voor mijn beeldvorming van deze wijze van horen waar ik geen ervaring mee heb. Wordt dit door u beschouwd als een hoorzitting waarbij bij een gegrond bezwaar 1 punt voor de (voorbereiding) hoorzitting wordt toegekend, of wordt dit gezien als een aanvulling op bezwaar met als gevolg dat bij (gedeeltelijk) gegrond bezwaar niet een tweede punt voor de hoorzitting wordt toegekend. Alvast bedankt voor uw antwoord.”
2.10.
Op 30 mei 2023 heeft de gemachtigde zijn bezwaarschift aangevuld met onder meer:
“Ter voorbereiding op de deze hoorzitting heb ik van u niet de taxatiekaarten per post ontvangen waar ik om heb verzocht. Dat maakt het lastig om nader te motiveren.”
2.11.
Op 16 juli 2023 bericht de gemachtigde de heffingsambtenaar als volgt:
“Geachte heer,
Zoals eerder door mij aangegeven werkt bij mij de digitale code niet om inzage te krijgen in de digitale bezwaardossiers. Mijn vraag en verzoek is of u de uitspraken op bezwaar wel schriftelijk verstuurd. Daar ga ik wel van uit. Graag ontvang ik een bevestiging dat eventuele uitspraken op bezwaar niet digitaal maar per post worden verstuurd.”
2.12.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 december 2023 het bezwaar ongegrond verklaard.
2.13.
De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard maar, onder meer, wel een vergoeding van proceskosten van € 875 aan belanghebbende toegekend, omdat de heffingsambtenaar naar het oordeel van de Rechtbank de toezendverplichting van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ heeft geschonden. De Rechtbank heeft de proceskosten van belanghebbende op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) berekend op € 1.750 (2 punten, met een waarde per punt van € 875, en wegingsfactor 1) welke vergoeding door de Rechtbank met inachtneming van artikel 2, tweede lid, Bpb is gematigd tot € 875.

3.Geschil

3.1.
In het hoger beroep is in geschil of de Rechtbank in de berekening van de proceskostenvergoeding terecht heeft gematigd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de heffingsambtenaar bevestigend.
3.2.
In het incidentele hoger beroep is in geschil of de heffingsambtenaar de toezendplicht van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, heeft geschonden. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de heffingsambtenaar ontkennend.
3.3.
De waarde van de onroerende zaak is in hoger beroep niet meer in geschil.

4.Beoordeling van het geschil

Artikel 40, lid 2, Wet WOZ (incidentele hoger beroep)
4.1.
Belanghebbende stelt dat de toezendplicht van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, is geschonden omdat het taxatieverslag met de KOUDV-factoren niet tijdens de bezwaarfase is verstrekt. De gemachtigde van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar meerdere keren geïnformeerd dat hij niet kon inloggen in Dboxx. Hij heeft de heffingsambtenaar diverse malen verzocht om de gegevens per post toe te sturen. Belanghebbende noch zijn gemachtigde heeft het taxatieverslag echter per post ontvangen. Volgens belanghebbende is hij hierdoor in zijn belangen geschaad omdat het voor hem onmogelijk was na te gaan hoe de beschikte waarde tot stand is gekomen, waardoor het niet mogelijk was om de waarde te controleren. Daarom was hij genoodzaakt in beroep te gaan, aldus belanghebbende.
4.2.
De heffingsambtenaar stelt dat de gemachtigde een instructie heeft ontvangen waarin staat omschreven hoe de gemachtigde kan inloggen. De heffingsambtenaar is van mening dat de Dboxx zonder noemenswaardige inspanning te vinden en te raadplegen is, zij verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567. Andere gemachtigden kunnen immers zonder problemen inloggen. Bovendien verklaart de heffingsambtenaar dat zij de gemachtigde heeft gebeld om te helpen met het inloggen maar belanghebbende nam de telefoon niet op. Ook is de heffingsambtenaar na de e-mail van 30 april 2023 (zie 2.9) ervan uitgegaan dat het gemachtigde was gelukt om in te loggen.
4.3.
Ingevolge artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ dient aan degene te wiens aanzien een beschikking als bedoeld in de Wet WOZ is genomen (hierna: waardebeschikking), en die een voldoende specifiek verzoek doet tot het verstrekken van bepaalde gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak, een afschrift van die gegevens moet verstrekken. Aangezien dit op de zaak betrekking hebbende stukken betreft, geldt op grond van artikel 6:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) die verplichting ook jegens de vertegenwoordiger van een belanghebbende.
4.4.
De bedoelde gegevens zijn van belang om de juistheid van de waardebeschikking te kunnen controleren om daarmee een eventuele bezwaarprocedure op zinvolle wijze te kunnen benutten en vervolgens te kunnen beoordelen of het zinvol is beroep in te stellen. Aan de verplichting tot het verstrekken van deze gegevens doet niet af dat het op de zaak betrekking hebbende stukken zijn, die daarom tevens voorafgaand aan het horen in een bezwaarprocedure op grond van artikel 7:4, lid 2, Awb ter inzage moeten worden gelegd. Indien een voldoende specifiek verzoek tot het verstrekken van de in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ bedoelde gegevens in de bezwaarfase wordt gedaan, moeten deze gegevens, met het oog op een zinvolle benutting van de bezwaarprocedure, voortvarend en in ieder geval uiterlijk bij het doen van uitspraak op bezwaar worden verstrekt. [1]
4.5.
In zijn arrest van 31 mei 2024, 22/00849, ECLI:NL:HR:2024:567, overwoog de Hoge Raad onder meer als volgt:
4.3.2. (…)
Indien het bestuursorgaan een op de zaak betrekking hebbend stuk dat via internet algemeen toegankelijk is, overeenkomstig artikel 8:42 Awb Pro in het geding wil brengen, kan het daartoe in plaats van een afschrift van dat stuk te verstrekken, in beginsel volstaan met een aanduiding van de website waarop of via welke dat stuk te vinden is. Die aanduiding moet zodanig nauwkeurig zijn dat het stuk aan de hand daarvan zonder noemenswaardige inspanning kan worden gevonden en geraadpleegd. De bestuursrechter kan niettemin bepalen dat het bestuursorgaan het stuk ook op een andere wijze aan hem moet doen toekomen. Daartoe kan de bestuursrechter onder meer aanleiding vinden indien de ongewijzigde inhoud van het stuk niet langer toegankelijk blijkt te zijn op of via de aangeduide website. Ook kan hiertoe aanleiding bestaan indien het gebruik van internet redelijkerwijs niet van de wederpartij verlangd kan worden.
4.6.
Het Hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ heeft geschonden. Het Hof stelt voorop dat het taxatieverslag behoort tot de gegevens die verstrekt dienen te worden ingevolge artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ. In het onderhavige geval is geen sprake van een via internet algemeen toegankelijk stuk. Het Hof acht aannemelijk dat de gemachtigde niet kon inloggen in Dboxx en het taxatieverslag dus niet is verstrekt aan de gemachtigde. Dat de heffingsambtenaar de gemachtigde heeft gebeld om te helpen met inloggen is niet aannemelijk gemaakt door de heffingsambtenaar. Ook heeft de heffingsambtenaar niet aannemelijk gemaakt dat het taxatieverslag per post is verzonden. Dat andere gemachtigden zonder problemen konden inloggen betekent volgens het Hof niet dat de gemachtigde ook zonder problemen in kon loggen. Bovendien heeft de heffingsambtenaar de taxatieverslagen voor andere jaren en andere belanghebbenden via zivver ter beschikking gesteld aan de gemachtigde, waarom dat voor dit jaar en bij deze belanghebbende/gemachtigde niet mogelijk was heeft de heffingsambtenaar niet duidelijk kunnen maken. Daarnaast lagen de stukken voor de (schriftelijke) hoorzitting ook alleen digitaal via Dboxx ter inzage, waardoor de gemachtigde ook niet bij de (digitale) hoorzitting het taxatieverslag heeft in kunnen zien. Het enkele feit dat belanghebbende in zijn e-mail van 30 april 2023 zijn verzoeken om gegevens te verstrekken niet heeft herhaald, ontslaat de heffingsambtenaar niet van zijn wettelijke plicht om die gegevens na een voldoende specifiek verzoek te verstrekken [2] . Dat zou anders zijn indien belanghebbende het verzoek om verstrekking van bepaalde gegevens in bezwaar uitdrukkelijk en ondubbelzinnig had ingetrokken [3] . Dat is hier echter niet aan de orde.
Proceskostenvergoeding beroepsfase (principaal hoger beroep)
4.7.
Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het gebrek, dat artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ is geschonden, kan worden gepasseerd. Dat de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde van de woning op waardepeildatum, door de heffingsambtenaar niet te hoog werd vastgesteld is niet (meer) in geschil.
4.8.
Ook indien deze schending met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro kan worden gepasseerd omdat belanghebbende door die schending niet is benadeeld, en het bestreden besluit in stand blijft, bestaat in de regel recht op vergoeding van griffierecht en op toekenning van een proceskostenvergoeding. Bij toepassing van artikel 6:22 Awb Pro kan de rechter alleen bij aanwezigheid van bijzondere omstandigheden afzien van het toekennen van een vergoeding van griffierecht en een proceskostenvergoeding. De rechter moet in zo’n geval motiveren waarom hij daarvan afziet. [4]
4.9.
Belanghebbende heeft tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding uitsluitend aangevoerd dat de Rechtbank ten onrechte een wegingsfactor 0,5 heeft toegepast omdat belanghebbende uitsluitend in het gelijk is gesteld voor wat betreft het punt van de toezendplicht.
4.10.
Anders dan belanghebbende stelt heeft de Rechtbank niet een wegingsfactor 0,5 in aanmerking genomen doch een wegingsfactor 1,0. De Rechtbank heeft echter vervolgens de proceskostenvergoeding op grond van artikel 2, tweede lid, Bpb gematigd tot de helft van de aldus berekende vergoeding. Het Hof begrijpt de stelling van belanghebbende zo, dat hij in hoger beroep opkomt tegen de door de Rechtbank toegepaste matiging van de proceskostenvergoeding.
4.11.
Belanghebbende is door de Rechtbank gedeeltelijk in het gelijk gesteld. Ook na in beroep kennis te hebben genomen van de KOUDV-factoren heeft belanghebbende zich bij de Rechtbank op het standpunt gesteld dat de heffingsambtenaar de waarde van de woning te hoog heeft vastgesteld. Het oordeel van de Rechtbank met betrekking tot de vastgestelde waarde staat inmiddels vast. Onder deze omstandigheden acht het Hof het oordeel van de Rechtbank dat de proceskostenvergoeding in het onderhavige geval op grond van artikel 2, tweede lid, Bpb kan worden gematigd juist en ziet het Hof geen aanleiding tot het vaststellen van een hogere vergoeding.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is zowel het hoger beroep als ook het incidentele hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Aangezien het Hof het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar ongegrond verklaart, ziet het Hof aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van hoger beroep heeft moeten maken.
5.2.
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907 voor de kosten in hoger beroep ((2 punten (verweerschrift incidenteel hoger beroep en bijwonen zitting) x wegingsfactor 0,5 x € 907)).
5.3.
Opmerking verdient dat de uitbetaling van de vergoedingen van proceskosten en griffierechten ingevolge artikel 30a, lid 4, van de Wet WOZ plaatsvindt op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende.

6.Beslissing

Het Hof:
  • bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 907.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.J.M. van Kempen, lid van de eerste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. P.W.L. van den Bersselaar als griffier.
De beslissing is op 28 oktober 2025 in het openbaar uitgesproken.
(P.W.L. van den Bersselaar) (M.G.J.M. van Kempen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106
2.Hof Arnhem-Leeuwarden 17 oktober 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8794.
3.Hof Arnhem-Leeuwarden 12 december 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:10571.
4.HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106