Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
3.De oordelen van het Hof
4.Beoordeling van het middel
De omstandigheid dat de belanghebbende in (hoger) beroep niet alleen klaagt over de schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, maar ook andere klachten tegen de uitspraak op bezwaar aanvoert, bijvoorbeeld met betrekking tot de vastgestelde WOZ-waarde, kan daarentegen geen grond vormen voor het oordeel dat de belanghebbende door de schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ niet is benadeeld in de zin van artikel 6:22 Awb Pro. Dat de belanghebbende, nadat de gevraagde gegevens in (hoger) beroep alsnog beschikbaar zijn gekomen, deze niet ter discussie heeft gesteld of op basis van die gegevens niet heeft onderbouwd dat de WOZ-waarde naar een onjuist bedrag is vastgesteld, is evenmin van belang voor de beoordeling of hij door het aanvankelijke gebrek aan informatie is benadeeld in de zin van artikel 6:22 Awb Pro.
De omstandigheid dat de belanghebbende in (hoger) beroep niet alleen klaagt over de schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, maar ook andere klachten tegen de uitspraak op bezwaar aanvoert, bijvoorbeeld met betrekking tot de vastgestelde WOZ-waarde, is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het toekennen van een vergoeding van het griffierecht en een proceskostenvergoeding achterwege kan blijven.
Dit kan echter niet tot cassatie leiden, aangezien het Hof – in cassatie onbestreden – heeft geoordeeld dat het taxatieverslag de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde ruimschoots onderbouwt. Daarmee is geen andere slotsom mogelijk dan dat de uitspraak op bezwaar dezelfde uitkomst zou hebben gehad indien de heffingsambtenaar wel tijdig alle gegevens als bedoeld in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ zou hebben verstrekt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in 4.4.3, eerste alinea, eerste volzin, rechtvaardigt die slotsom wel het oordeel dat er aanleiding was om in dit geval artikel 6:22 Awb Pro toe te passen.