In deze zaak draait het om de uitleg van een vaststellingsovereenkomst uit 2017 tussen [appellant] en GRV Holding B.V. betreffende de geliberaliseerde verpachting van percelen naast een recreatiepark. De overeenkomst bepaalde dat GRV de percelen tot 1 mei 2019 zou verpachten en daarna afhankelijk van haar plannen opnieuw zou onderhandelen over pacht.
Na afloop van de oorspronkelijke pachtperiode heeft GRV aangegeven de percelen te willen gebruiken voor de ontwikkeling van recreatiewoningen en heeft zij geen nieuwe pachtovereenkomst aangeboden. [Appellant] vorderde daarop een verklaring voor recht dat GRV tekort was geschoten, een nieuwe pachtovereenkomst en schadevergoeding. GRV stelde een tegenvordering in wegens vermeend gebrekkig onderhoud.
De pachtkamer wees alle vorderingen af en het hof bevestigt dit oordeel. Het hof oordeelt dat GRV in redelijkheid mocht bepalen wanneer zij met werkzaamheden begon en dat zij in mei 2022 daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht die het voortzetten van de verpachting onmogelijk maakten. De tijdelijke stilstand van werkzaamheden en het uitlenen van de percelen aan derden in bruikleen zijn niet in strijd met de overeenkomst.
Daarom is er geen tekortkoming of onrechtmatige daad van GRV en bestaat geen grond voor een nieuwe pachtovereenkomst of schadevergoeding. Het hoger beroep van [appellant] wordt afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.