ECLI:NL:GHARL:2025:6917

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
200.339.406/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanspraak op vergoeding van aardbevingsschade door echtpaar tegen de Staat der Nederlanden en het Interventieteam Vastgelopen Situaties Groningen

In deze zaak vordert een echtpaar schadevergoeding voor aardbevingsschade die zij hebben geleden als gevolg van gaswinning in hun regio. De eisers, die in een financieel onhoudbare situatie verkeren, hebben een overeenkomst gesloten met het Interventieteam Vastgelopen Situaties Groningen, dat onderdeel is van de Staat. Ze willen deze overeenkomst vernietigen, omdat zij stellen dat er misbruik is gemaakt van hun omstandigheden. Het hof heeft de vorderingen van de eisers afgewezen en het vonnis van de rechtbank bevestigd. Het hof oordeelt dat het interventieteam niet verplicht was om hen een betere oplossing te bieden en dat de vaststellingsovereenkomst hen wel degelijk voordelen heeft opgeleverd, ondanks de afbraak van hun boerderij. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de ontruiming van de boerderij pas kan plaatsvinden na het verkrijgen van een sloopvergunning. Het hof bevestigt deze beslissing en legt de proceskosten bij de eisers neer.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.339.406/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 221038
arrest van 28 oktober 2025
in de zaak van

1.[appellant1] ,

2. [appellant2],
die beiden wonen in [woonplaats] ,
3. [appellant3] B.V.,
4. [appellant4] B.V.,
5. [appellant5] B.V.,
6. [appellant6] B.V.,
die zijn gevestigd in [vestigingsplaats] ,
die hoger beroep hebben ingesteld,
en bij de rechtbank optraden als eisers in conventie en verweerders in reconventie,
hierna samen:
[appellanten1]en geïntimeerden sub 1 en 2 afzonderlijk
[appellant1]en
[appellant2](tezamen
[appellanten2] )en (sub 5)
de holding,
advocaat: mr. L.H. Haarsma te Paterswolde,
tegen
De Staat der Nederlanden,
die zetelt in Den Haag,
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie en eiser in reconventie,
hierna:
de Staatof
het interventieteam,
advocaat: mr. L. Wijnbergen te Groningen.

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Na het arrest in het incident van 12 november 2024 heeft de Staat een memorie van antwoord in de hoofdzaak genomen. [appellanten1] hebben bij akte nog productie 2 tot en met 8 in het geding gebracht. Op 11 september 2025 heeft een enkelvoudige mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt (het proces-verbaal) dat aan het dossier is toegevoegd. Aan het eind van de mondelinge behandeling hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.Nogmaals: de feiten en het verloop van de procedure

2.1
[appellant1] is vanaf 23 december 2002 eigenares van een woning aan de [adres1] in [woonplaats] (de woning). Op het kadastrale perceel waar de woning op staat, is natuurlijk mineraalwater aangeboord. [appellanten2] hebben vanwege die minerale bron in 2010 de naast- en achtergelegen boerderij aan de Familie [adres2] gekocht om daar een bottelarij te vestigen. [appellant2] woont in het woongedeelte van deze boerderij.
2.2
Op de woning was in 2006 een hypotheekrecht gevestigd ten behoeve van Rabobank voor € 607.500. Op de woning en op de boerderij is in 2010 een (tweede) hypotheek gevestigd ten behoeve van de ING Bank voor € 907.875.
2.3
[woonplaats] ligt in het gebied waarin zich als gevolg van gaswinning regelmatig aardbevingen hebben voorgedaan. De woning en de boerderij hebben schade die volgens [appellanten2] daarvan het gevolg is. Zij hebben in procedures tegen de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) schadevergoeding gevorderd. In die procedures, die nu bij het hof aanhangig zijn, is nog geen eindarrest gewezen [1] . In een tussenarrest is op 11 juni 2024 wel geoordeeld dat de vordering tot vergoeding van schade wegens waardevermindering van de woning en de boerderij en winstderving van de holding niet toewijsbaar is.
2.4
Betalingsachterstanden bij de hypotheekleningen bij Rabobank en de ING Bank - volgens [appellanten2] zelf: ongeveer € 80.000 - hebben ertoe geleid dat Rabobank (met in haar kielzog ook ING Bank) de executoriale verkoop van woning en boerderij aankondigde per
1 december 2021. Die datum is nog verschoven naar 1 januari 2022. De schuld aan Rabobank bedroeg op dat moment € 500.000, die aan ING Bank € 569.245. [appellanten2] hebben zich met dit probleem gewend tot het Interventieteam Vastgelopen Situaties Groningen, dat onderdeel is van de Staat. Vanaf 1 juli 2021 hebben besprekingen plaatsgevonden tussen dit interventieteam en [appellanten2] Daarbij is een voorschot van € 50.000 ter beschikking gesteld om een faillissement af te wenden.
2.5
In de onderhandelingen is voorgesteld het versterkingsbudget voor de boerderij, dat door de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) was vastgesteld op € 736.000, te benutten om de hypotheken van de ING en de Rabobank af te lossen, tezamen met een door de Staat te verstrekken lening van € 500.000, die zou worden gezekerd met een hypotheek op de woning. De boerderij zou dan afgebroken moeten worden, omdat geen budget meer beschikbaar zou zijn voor de versterking daarvan. [appellanten2] hadden echter grote moeite met de afbraak en hebben om een extra lening van € 150.000 gevraagd, gedekt door verhoging van de hypotheek op de woning. Daarmee wilden zij de mogelijkheid scheppen om de renteachterstand bij ING af te lossen en de juridische strijd over de schade en versterking van de boerderij voort te zetten. Dit voorstel is door het interventieteam van de hand gewezen; zij was slechts bereid een extra lening van € 150.000 te verstrekken onder vestiging van een
eerstehypotheek.
2.6
Op 26 november 2021 heeft de Staat een definitief voorstel gedaan dat heeft geleid tot de ondertekening van een vaststellingsovereenkomst door de Staat en [appellanten2] op 22 en 28 december 2021. Deze vaststellingsovereenkomst voorzag in:
- intrekking van procedures en aanvragen bij de Staat (Instituut voor Mijnbouwschade Groningen, verder IMG) voor schade aan de boerderij;
- betaling van een vrij te besteden bedrag van € 150.000 op humanitaire gronden aan [appellant1] en [appellant2] ;
- verstrekking van een lening van € 500.000 voor aflossing van de hypotheek van de Rabobank, onder vestiging van een hypotheek op de woning ten behoeve van de Staat. De waterbron blijft buiten de hypotheek. Deze geldlening kent een aflossings- en rentevrije periode van twee jaar, welke periode wordt geacht te zijn ingegaan per de datum van het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst. De hoofdsom en rente moeten uiterlijk binnen twee jaar na het verstrekken van de lening zijn afgelost. Echter, indien de procedure in het hoger beroep tegen de NAM niet binnen deze looptijd is beëindigd, dienen de volledige hoofdsom, rente en kosten uiterlijk binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de einduitspraak in dat hoger beroep te zijn afgelost. Na afloop van deze periode is een variabele marktconforme rente aan de Staat verschuldigd;
- gebruik van het versterkingsbudget voor de boerderij van € 736.000 voor aflossing van de hypotheek van de ING;
- sloop van de boerderij, na akkoord van de [gemeente] . De kosten van de sloop worden voldaan uit het versterkingsbudget waarmee de rechten op versterking van de boerderij vervallen. De boerderij wordt uiterlijk op 1 mei 2022 aan de NCG opgeleverd. [appellant2] mag er tot die tijd blijven wonen. De ondergrond van de boerderij blijft eigendom van [appellanten2] .
2.7
In de vaststellingsovereenkomst staat verder dat partijen voldoende in de gelegenheid zijn geweest om voorafgaand juridische bijstand in te roepen, dat de overeenkomst bedoeld is als eindoplossing voor de boerderij en dat daarmee de rechten van de eigenaars op versterking en verdere schadevergoeding van de Staat vervallen.
2.8
Nadat de Staat zijn verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst had uitgevoerd, hebben [appellanten2] deze op 29 april 2022 buitengerechtelijk vernietigd wegens misbruik van omstandigheden. De Staat heeft deze vernietiging betwist en ontruiming van de boerderij gevorderd. Hieraan is niet voldaan. Partijen hebben nog gesproken over de gerezen problemen, maar zijn niet tot een oplossing gekomen.
2.9
De Staat is daarop een kort geding gestart waarin is gevorderd dat [appellanten2] worden veroordeeld tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst door de boerderij te verlaten. De voorzieningenrechter heeft die vordering op 17 maart 2023 toegewezen. Het hof heeft dat vonnis op 9 mei 2023 vernietigd en de vorderingen van de staat alsnog afgewezen, wegens gebrek aan spoedeisend belang bij de vordering tot ontruiming [2]
2.1
De Staat heeft in maart 2023 een aanvraag ingediend bij de [gemeente] voor een omgevingsvergunning voor de sloop van de boerderij van [appellant2] . De beslissing daarover is aangehouden in afwachting van de afloop van deze procedure.
2.11
Omdat het geschil tussen partijen na het beroep op vernietiging van de vaststellingsovereenkomst en de discussie over de sloop en ontruiming van de boerderij niet in onderling overleg kon worden opgelost, hebben [appellanten1] gevorderd dat de rechtbank (i) voor recht verklaart dat de vaststellingsovereenkomst is vernietigd of (ii) deze zal vernietigen, daarbij de Staat zal verbieden tot sloop over te gaan en voor recht zal verklaren dat [appellant1] , [appellant2] en de aan hen gelieerde vennootschappen niet gehouden zijn de boerderij te slopen. Subsidiair hebben [appellanten1] gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat de Staat onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld en gehouden is de schade te vergoeden, welke schade dient te worden opgemaakt bij staat.
2.12
De Staat heeft daar een vordering tegenover gesteld (voor zover de sloop nog niet heeft plaatsgevonden): een veroordeling van [appellanten1] om de boerderij te ontruimen en te gehengen en gedogen dat deze wordt gesloopt.
2.13
De rechtbank heeft de vordering van [appellanten1] op 8 november 2023 afgewezen en heeft hen veroordeeld om binnen drie maanden na het vonnis de boerderij te ontruimen en te gehengen en gedogen dat deze zal worden gesloopt. [appellanten1] hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Dat strekt ertoe dat hun vorderingen alsnog geheel worden toegewezen en dat de vordering van de Staat alsnog wordt afgewezen.

3.Het oordeel van het hof in de hoofdzaak

3.1
Het hof zal het bestreden vonnis in stand laten en licht dat hierna toe. De grieven zullen daarbij thematisch worden behandeld. In essentie onderschrijft het hof de beoordeling van de rechtbank geheel. Het volgende dient daarbij ter nadere onderbouwing.
De afgewezen vordering van [appellanten1]
3.2
[appellanten1] baseren hun vordering op het verwijt dat de Staat (het interventieteam) misbruik heeft gemaakt van de omstandigheden waarin zij zich bevonden bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst [3] . Daarvan is sprake als iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden wordt bewogen tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, hoewel hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.
3.3
Het interventieteam is in 2021 door de Minister van Economische Zaken en Klimaat ( EZK) ingesteld om te proberen bijzondere, meer of minder uitzichtloze situaties in het aardbevingsgebied vlot te trekken door samen met bewoners naar oplossingen te zoeken voor schrijnende gevallen. De problemen die [appellanten2] ondervonden, werden als zodanig beoordeeld, omdat een einduitspraak over hun claim tegen de NAM nog niet in zicht was en zij niet tot herstel van de boerderij konden overgaan, terwijl de executie dreigde van zowel de woning als de boerderij met de grond waarin de bron zich bevindt. In de maalstroom van die ontwikkelingen lag een persoonlijk faillissement van [appellanten2] zelf op de loer.
3.4
Het team is weliswaar opgericht om in overleg met bewoners zoals [appellanten2] een uitweg uit dergelijke penibele situaties te vinden, maar is daartoe niet verplicht. Zij had een ruime beoordelingsvrijheid bij de te maken keuzes, maar beschikte niet over onbeperkte mogelijkheden om - met gebruikmaking van gemeenschapsgeld - financiële middelen ter beschikking te stellen. Net als bij het verlenen van het voorschot, had bij het overleg prioriteit dat het verlies van de woning en de waterbron en een faillissement zouden worden voorkomen. Deze ruimte had het interventieteam; zij was niet gehouden voorstellen te doen of te accepteren die tot versterking of herstel van de boerderij zouden leiden, laat staan om de commerciële belangen van [appellanten1] te dienen. Voor zover [appellanten1] dat wel hebben willen aanvoeren, constateert het hof dat hun standpunt nergens op is gebaseerd.
3.5
De vaststellingsovereenkomst zou weliswaar leiden tot afbraak van de boerderij, maar had ook tot gevolg dat de hypothecaire last van ruim een miljoen [4] met de helft zou worden verlaagd (zonder
directerente- of aflossingsverplichting aan de nieuwe schuldeiser, de Staat), en dat daarnaast een vrij te besteden bedrag van ongeveer twee ton zou resteren dat - nog los van de lening - door de Staat ter beschikking werd gesteld. Als de tegen de NAM ingestelde vordering succesvol zou zijn, zou daar een aanzienlijk kapitaal aan toegevoegd worden. Gegeven het feit dat de waterbron zelf niet hypothecair belast zou worden, zou daarmee niet alleen de dreiging van een faillissement zijn afgewend, maar zou bovendien de exploitatie van die bron tot de mogelijkheden zijn gaan behoren. De toewijzing van de claim op de NAM is voor [appellanten2] zelf immers ook steeds uitgangspunt geweest. De bewering dat ieder perspectief voor de toekomst door de vaststellingsovereenkomst is weggenomen, is dan ook ongefundeerd. Dat perspectief bestond juist aanvankelijk niet meer, maar is door de overeenkomst toch niet geheel verloren gegaan.
3.6
Het voorgaande kan slechts de conclusie rechtvaardigen dat het interventieteam [appellanten2] binnen de haar ten dienste staande mogelijkheden een uitweg heeft proberen te bieden in de schrijnende situatie waarin zij zich bevonden. Ondanks de prijs van de amotie van de boerderij die daarvoor moest worden betaald, is dat ook gelukt. Uit niets blijkt dat het team tot meer verplicht was – meer specifiek: tot het verstrekken van een aanvullende lening van anderhalve ton, zonder voldoende zekerheid. Die conclusie is onverenigbaar met het verwijt dat misbruik is gemaakt van de economische dwangpositie waarin [appellanten2] waren terechtgekomen - dat het team wist of had moeten moet begrijpen dat zij [appellanten2] van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst had moeten weerhouden. Een beroep op het leerstuk onrechtmatige daad rechtvaardigt een en ander evenmin.
3.7
[appellanten1] hebben een aantal specifieke omstandigheden aangevoerd waarop – beschouwd in hun onderlinge verband – naar hun mening een beroep op misbruik van omstandigheden en onrechtmatige daad (toch) kan worden gestoeld, en die ook het rechtsvermoeden rechtvaardigen dat daarvan sprake is. Die omstandigheden behandelt het hof hierna.
3.8
Bij de onderhandelingen over de vaststellingsovereenkomst werden [appellanten2] bijgestaan door een advocaat. Zij voeren aan dat deze heeft geadviseerd de overeenkomst niet te tekenen. Het hof ziet niet in hoe dat (dat wil zeggen, het feit dat zij tegen het advies van hun eigen juridisch adviseur in hebben gehandeld) kan bijdragen aan de onderbouwing van de vordering.
3.9
[appellanten1] voeren aan dat de vaststellingsovereenkomst strekt tot de sloop van een karakteristieke boerderij die helemaal niet gesloopt
magworden. Volgens hen wist de Staat dat, of had de Staat het moeten weten. Dat argument kan [appellanten1] niet baten. Als dit verbod al zou bestaan – wat wordt bestreden – dan nog rechtvaardigt dat geen beroep op misbruik van omstandigheden of onrechtmatig handelen van het interventieteam. Met de vaststellingsovereenkomst wordt immers weliswaar de sloop van de boerderij beoogd, maar daartoe hoeft alleen na akkoord van de gemeente te worden overgegaan. Een sloopverbod zou niet afdoen aan de andere verplichtingen die het interventieteam op zich heeft genomen (een faillissement zou nog steeds zijn afgewend), en zolang niet sprake is van sloop, mogen [appellanten2] in de boerderij blijven wonen. Aan bewijsvoering over het gestelde sloopverbod komt het hof dan ook niet toe.
3.1
De suggestie dat het interventieteam de eigen belangen van de Staat heeft willen dienen (en een onevenredig groot voordeel voor zichzelf heeft bedongen), vindt op geen enkele manier steun in de stukken en wat daarover wordt aangevoerd. De Staat werpt die suggestie terecht verre van zich. Meer in het bijzonder heeft de rechtbank op goede gronden overwogen dat dit ook geldt voor de veronderstelling dat de sloop door de Staat is bedongen opdat de schade van de boerderij niet meer zou kunnen worden vastgesteld in de schadevergoedingsprocedure tegen de NAM, waarin de Staat een belang heeft [5] . Wat [appellanten1] zelf hebben aangevoerd, staat daaraan zelfs in de weg. Als de Staat inderdaad wist dat sloop niet mogelijk was, wist zij immers ook dat zij een dergelijk voordeel niet zou kunnen behalen.
3.11
Geen van de aangevoerde omstandigheden kan de conclusie dragen dat de Staat niet heeft getoetst aan de artikelen 2 en 8 EVRM, aan de WFT of aan richtlijnen 2014/17/EU en 93/13/EEG.
3.12
Verder is de mogelijkheid niet aannemelijk gemaakt dat [appellanten1] schade hebben geleden door de vaststellingsovereenkomst of het overleg daarover. Voorop staat daarbij dat, zoals gezegd, executoriale verkoop van de woning, de boerderij en de waterbron (en een persoonlijk faillissement van [appellanten2] ) waarschijnlijk waren gevolgd als de vaststellingsovereenkomst niet was gesloten. De woning en de grond bleven met de overeenkomst echter juist behouden, en die overeenkomst gaf daarnaast recht gaf op betaling van anderhalve ton op humanitaire gronden. Voor de vraag of de mogelijkheid van schade aannemelijk is (wat vereist is voor verwijzing naar de schadestaatprocedure), geldt dan nog het volgende.
-
De kosten die zijn gemaakt om sloop van de boerderij te voorkomen
3.13
[appellanten1] zeggen voor € 50.000 kosten te hebben gemaakt om de Staat ervan te weerhouden de boerderij te slopen. Zij hebben deze kosten niet gespecificeerd. Gezien de procedures die hierover zijn gevoerd, houdt het hof het ervoor dat zij hier doelen op proceskosten die in andere procedures zijn gemaakt. Voor zover [appellant1] , [appellant2] en de holding in die procedures in het gelijk zijn gesteld, worden die kosten geacht begrepen te zijn in de ten gunste van hen uitgesproken proceskostenveroordelingen ex art. 237 Rv. Zij hebben niet toegelicht waarom zij aanspraak kunnen maken op een vergoeding van kosten die de forfaitaire proceskostenveroordelingen te boven gaan.
-
De gemiste opbrengsten van de bottelarij
3.14
De vordering tot betaling van schadevergoeding wegens winstderving van € 500.000 aan de holding is evenmin toewijsbaar. Kortheidshalve verwijst het hof naar de overwegingen 4.13 tot en met 4.18 van het arrest van 11 juni 2024, waarin de afwijzing van vordering tot betaling van winstderving is toegelicht. Weliswaar was daar de NAM de wederpartij van de holding, maar de redenering van het hof gaat ook op in de verhouding tussen de holding en de Staat. Voor het overige geldt in deze procedure dat de winstderving is berekend over de periode 2014-2018, zodat het causaal verband met de daarna gesloten vaststellingsovereenkomst zonder nadere onderbouwing niet kan worden aangenomen.
-
De gevorderde immateriële schade
3.9
Ten behoeve van [appellanten2] is een vordering ingesteld tot betaling van de door hen in persoon geleden immateriële schade van € 25.000 per persoon, omdat zij ziek zijn geraakt als gevolg van de stressvolle situatie die hen al drie jaar in de greep houdt. Zij hebben daarbij verwezen naar de onderzoeksresultaten die zijn opgenomen in het rapport van Gronings Perspectief. Daarin volgt het hof hen niet: voor de onderbouwing van een aanspraak op immateriële schadevergoeding volstaat niet te verwijzen naar een onderzoeksrapport dat niet is toegespitst op hun persoonlijke situatie. Ook de hoogte van het gevorderde bedrag is door [appellanten2] niet inzichtelijk gemaakt. Naar het oordeel van het hof komt deze schade daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
De toegewezen vordering van de Staat
3.15
De rechtbank zag geen aanleiding de ontruiming van de boerderij op een eerder moment te gelasten dan nadat de sloopvergunning zou zijn verkregen. Zij heeft [appellanten2] om die reden veroordeeld om de boerderij pas te ontruimen binnen drie maanden nadat de gemeente daartoe een vergunning heeft verleend.
3.16
Volgens [appellanten1] heeft de Staat dat niet gevorderd, maar het hof passeert dat verweer: nog daargelaten dat het belang bij deze grief moeilijk valt in te zien, kan die niet slagen, omdat de rechtbank minder mag toewijzen dan is gevorderd, zoals zij heeft gedaan.
De conclusie
3.17
De conclusie luidt dat het hoger beroep niet slaagt. Omdat [appellanten1] in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof hen tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. [6]

4.De beslissing

Het hof:
4.1
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 8 november 2023;
4.2
veroordeelt [appellanten1] tot betaling van de volgende proceskosten van de Staat, de kosten van het incident inbegrepen:
€ 798 aan procedurele kosten
€ 3.642 aan salaris van de advocaat van de Staat (3 procespunten x appeltarief II);
4.3
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.4
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, M.M.A. Wind en J.E. Wichers, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
28 oktober 2025.

Voetnoten

2.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 mei 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3921.
3.Artikel 3:44 lid 4 BW.
4.Volgens eigen opgave: een schuld aan Rabobank van € 500.000 en aan ING Bank van € 569.245, zie ook rechtsoverweging 2.4.
5.Ingevolge de overeenkomst van Samenwerking, 1963 en nadere overeenkomsten die de Staat met de NAM met betrekking tot de gaswinning heeft gesloten, is bepaald dat de kosten door de NAM gemaakt in de vorm van schadevergoeding als gevolg van gaswinning beschouwd dienen te worden als exploitatiekosten die de NAM deels ten laste van de Staat kan brengen.
6.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.