ECLI:NL:GHARL:2025:6920

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
200.346.359/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot aanvulling van een arrest ex art. 32 Rv in hoger beroep door Aransil Limited

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 28 oktober 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot aanvulling van een eerder arrest, gedaan door Aransil Limited, een vennootschap naar het recht van Gibraltar. Aransil had hoger beroep ingesteld tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. In het eerdere arrest, gewezen op 16 september 2025, was Aransil veroordeeld tot betaling door de geïntimeerden, waaronder [geïntimeerde1], [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3]. De geïntimeerden hebben op 24 september 2025 verzocht om verbetering van het arrest op basis van artikel 32 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Aransil heeft echter betwist dat de geïntimeerden ontvankelijk zijn in hun verzoek, omdat zij geen vorderingen hebben ingesteld en dus niet als wederpartij kunnen optreden.

Het hof heeft in zijn beoordeling vastgesteld dat artikel 32 Rv enkel ten dienste staat van de partij die de vordering heeft ingesteld. De Hoge Raad heeft in een eerdere beschikking geoordeeld dat de wederpartij geen verzoek om aanvulling kan doen. Het hof concludeert dat de geïntimeerden als wederpartij(en) moeten worden aangemerkt en daarom niet-ontvankelijk zijn in hun verzoek. Het hof heeft de geïntimeerden dan ook niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek op de voet van artikel 32 Rv, waarmee het eerdere arrest in stand blijft.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.346.359/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 547553
beslissing van 28 oktober 2025 op een verzoek ex artikel 32 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
in de zaak van
de vennootschap naar het recht van Gibraltar
,
Aransil Limited,
die is gevestigd in Gibraltar,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als eiseres,
hierna:
Aransil,
advocaat: mr. T. Nijenhuis te Amsterdam,
tegen

1.[geïntimeerde1] ,

die woont in [woonplaats1] ,
2. [geïntimeerde2],
die woont in [woonplaats2] ,
3. [geïntimeerde3],
die woont in [woonplaats3] ,
en bij de rechtbank optraden als gedaagden,
hierna samen:
[geïntimerden]en ieder afzonderlijk
[geïntimeerde1],
[geïntimeerde2]en
[geïntimeerde3],
advocaat: mr. L.H.K. Peereboom-Bogers te Utrecht.

1.Procesverloop

1.1
Het hof heeft in deze zaak op 16 september 2025 een eindarrest gewezen (hierna: het arrest).
1.2
Bij brief van 24 september 2025 van hun advocaat hebben [geïntimerden] verzocht het arrest te verbeteren op de voet van artikel 32 Rv. Bij brief van haar advocaat van
25 september 2025 heeft Aransil zich primair op het standpunt gesteld dat [geïntimerden] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun verzoek omdat zij geen vorderingen hebben ingesteld en daarom als “wederpartij” geen verzoek op de voet van artikel 32 Rv kunnen doen. Ingeval het hof haar daarin niet volgt, verzoekt zij om zich nader inhoudelijk over het verzoek te mogen uitlaten.

2.De beoordeling

2.1
In het dictum van het arrest heeft het hof [geïntimeerde1] en [geïntimeerde3] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan Aransil van € 40.000 en [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hoofdelijk tot betaling van € 52.500, steeds met wettelijke rente.
2.2
[geïntimerden] verzoeken het hof “het dictum van het arrest aan te passen in de zin dat de toegewezen vorderingen van Aransil in het arrest door middel van verrekening teniet zijn gegaan”. [geïntimerden] wijzen er ter onderbouwing op dat zij een beroep op verrekening hebben gedaan dat mee zou brengen dat een eventuele schadevergoeding die aan Aransil verschuldigd zou zijn in mindering moet worden gebracht op loonvorderingen die [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] op Facevalue zouden hebben.
2.3
Het hof oordeelt als volgt.
2.4
Artikel 32 Rv houdt in dat de rechter te allen tijde op verzoek van een partij zijn vonnis, arrest of beschikking aanvult indien hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde of verzochte. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van
10 mei 2019 geoordeeld dat deze bepaling uitsluitend ten dienste staat van de partij die de vordering heeft ingesteld of het verzoek heeft gedaan waarop de rechter deels niet heeft beslist, en dat artikel 32 lid 1 Rv niet is geschreven voor de wederpartij. Die wederpartij kan op die voet dus geen verzoek om aanvulling doen. [1]
2.5
Het hof is van oordeel dat [geïntimerden] aan te merken zijn als wederpartij(en) in de zin van artikel 32 Rv en daarom geen zodanig verzoek kunnen doen. Onderwerp van de beoordeling in hoger beroep waren immers de vorderingen van Aransil op [geïntimerden] Aangenomen dat [geïntimerden] inderdaad een beroep op verrekening hebben gedaan zoals in hun verzoek ex artikel 32 Rv bedoeld, dan geldt dat dat geen vordering of verzoek is in de zin van bedoelde bepaling. Daarmee is niet voldaan aan de ontvankelijkheidseis zoals de Hoge Raad die in zijn beschikking van 10 mei 2019 heeft beschreven. Het hof zal [geïntimerden] dan ook niet-ontvankelijk verklaren in hun verzoek.

3.De beslissing

Het hof:
verklaart [geïntimerden] niet-ontvankelijk in hun verzoek op de voet van artikel 32 Rv.
Dit arrest is gewezen door M.A.M. Essed, M.W. Zandbergen, en H.H.B. Vedder, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
28 oktober 2025.

Voetnoten

1.Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:699, NJ 2020/397 m.nt. Van Mierlo, rov. 3.3.2.