Uitspraak
wonende te [woonplaats 1] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
4.Beslissing
10 mei 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen een man en een vrouw die eerder waren gehuwd en van wie de echtscheiding in 2005 werd uitgesproken met een veroordeling tot partneralimentatie. De man betaalde vanaf oktober 2012 alimentatie, maar betwistte later de verschuldigdheid vanaf die datum en vorderde terugbetaling van te veel betaalde bedragen. Het hof had in een beschikking van 1 mei 2014 de alimentatie vastgesteld, maar was niet ingegaan op het verzoek tot terugbetaling.
In 2017 verzocht de vrouw het hof om de beschikking van 1 mei 2014 aan te vullen op grond van artikel 32 Rv Pro, stellende dat het hof verzuimd had te beslissen over het verzoek van de man tot terugbetaling. Het hof oordeelde dat het verzoek ontvankelijk was en besloot de beschikking aan te vullen, waarbij het de vrouw niet verplichtte tot terugbetaling.
De man stelde in cassatie onder meer dat het hof ten onrechte de vrouw ontvankelijk had geacht in haar verzoek om aanvulling, omdat artikel 32 Rv Pro alleen toelaat dat de partij die het oorspronkelijke verzoek heeft gedaan om aanvulling kan verzoeken. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit ten onrechte had geoordeeld, vernietigde de beschikkingen van het hof en verklaarde de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek om aanvulling. De Hoge Raad kon zelf de zaak afdoen door de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren.
Uitkomst: De vrouw is niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om aanvulling van de beschikking op grond van artikel 32 Rv.