ECLI:NL:GHARL:2025:6966

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
Wahv 200.358.014/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13a Wahv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen matiging sanctie en proceskostenvergoeding in bestuursstrafzaak wegens doorrijden bij rood licht

De betrokkene kreeg een sanctie van €250 opgelegd voor het doorrijden bij een rood verkeerslicht op 8 december 2022 in Breda. De kantonrechter matigde deze sanctie tot €187,50 vanwege overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Daarnaast werd een proceskostenvergoeding van €453,50 toegekend.

De gemachtigde van de betrokkene stelde dat de kantonrechter ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 (zeer licht) toepaste bij de proceskostenvergoeding. Het hof oordeelde dat de zaak niet als zeer licht kan worden aangemerkt en dat de verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad over immateriële schadevergoeding niet van toepassing is.

Het hof vernietigde het besluit over de proceskostenvergoeding en herrekende deze. Daarbij werd voor het administratief beroep een wegingsfactor van 0,5 (licht) toegepast en voor het hoger beroep 0,25 (zeer licht) met een correctiefactor van 0,1 vanwege de datum van beslissing. De advocaat-generaal werd veroordeeld tot vergoeding van €929,68 aan proceskosten.

De matiging van de sanctie bleef uitsluitend gebaseerd op de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Proceskosten in de administratief beroep fase komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het arrest werd op 6 november 2025 uitgesproken door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarbij de beslissing van de kantonrechter deels werd vernietigd en de proceskostenvergoeding werd aangepast.

Uitkomst: Het gerechtshof vernietigt het besluit over de proceskostenvergoeding en veroordeelt de advocaat-generaal tot betaling van €929,68 aan proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.358.014/01
CJIB-nummer
: 254479093
Uitspraak d.d.
: 6 november 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank ZeelandWest-Brabant van 4 juli 2025, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats]
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 187,50. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 453,50.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “doorgaan bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 8 december 2022 om 11.55 uur op de Westerparklaan (kruising Weerschijnvlinder) in Breda met het voertuig met het kenteken [kenteken] . De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd tot € 187,50 omdat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter ten onrechte de wegingsfactor zeer licht (0,25) heeft toegepast. Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst de gemachtigde naar een arrest van dit hof.
3. De kantonrechter heeft overwogen dat de wegingsfactor 0,25 wordt toegepast omdat de sanctie uitsluitend wordt gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De kantonrechter verwijst daarbij naar een arrest van de Hoge Raad (10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526) waarin voor belastingzaken bij de berekening van een proceskostenvergoeding bij toekenning van een immateriële schadevergoeding de wegingsfactor 0,25 als uitgangspunt wordt gehanteerd.
4. Naar het oordeel van het hof bestaat in dit geval geen aanleiding om het gewicht van de zaak als zeer licht aan te merken. De verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023 geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat dat de toekenning van een schadevergoeding betreft (zie het arrest van dit hof van 21 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:253). Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen voor zover is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding en de vergoeding opnieuw berekenen.
5. De matiging van het sanctiebedrag vindt uitsluitend zijn grondslag in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter en het bijwonen van de zitting van de kantonrechter dienen twee punten te worden toegekend. De waarde per punt voor het beroep bedraagt € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast.
6. De proceskosten in hoger beroep komen ook voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt voor het hoger beroep bedraagt € 907,-. Omdat de betrokkene in hoger beroep alleen in het gelijk wordt gesteld ten aanzien van de proceskostenvergoeding, wordt de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Nu de beslissing van de kantonrechter is bekendgemaakt na 31 december 2023 en gelet op het bepaalde in het arrest van dit hof van 7 oktober 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:6116), wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,1.
7. Gelet op het bovenstaande zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van in totaal € 929,68 (= (2 x € 907,- x 0,5) + (1 x € 907,- x 0,25 x 0,1)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 929,68.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.