ECLI:NL:GHARL:2025:7096

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
21-002246-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis met gewijzigde straf in hoger beroep wegens afdreiging en poging tot afdreiging

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 6 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland. De verdachte is schuldig bevonden aan afdreiging en poging tot afdreiging. Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de straf. De rechtbank had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk. Het hof legt een zwaardere straf op van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het chanteren van een aangever door zich voor te doen als een minderjarig meisje en dreigde met het openbaar maken van gesprekken als er geen geld werd betaald. Het hof oordeelt dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist over de bewezenverklaring en de kwalificatie van de feiten, maar komt tot een andere beslissing met betrekking tot de strafoplegging. Het hof legt ook een contactverbod op met de aangever. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf wordt toegewezen. Het hof heeft de ernst van de feiten en het gebrek aan verantwoordelijkheid van de verdachte in overweging genomen bij het bepalen van de straf.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002246-24
Uitspraakdatum: 6 november 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 24 mei 2024 met parketnummer 16-298456-23 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 16-068583-21, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 1983 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Het hoger beroep

Verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 oktober 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.L. van Gaalen, hebben aangevoerd.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het als feit 1 en 2 tenlastegelegde bewezenverklaard en gekwalificeerd als:
1. afdreiging, meermalen gepleegd;
2. poging tot afdreiging.
De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daaraan – kort samengevat – de volgende bijzondere voorwaarde verbonden:
- contactverbod.
Verder heeft de rechtbank de twee inbeslaggenomen telefoontoestellen verbeurdverklaard.
Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 13.152,46 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2023 en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Ook heeft de rechtbank beslist tot toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze en op juiste gronden heeft beslist, met uitzondering van de strafoplegging. Het hof verenigt zich dan ook met het vonnis waarvan beroep voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van de bewezenverklaring, de kwalificatie, de strafbaarheid van verdachte, het beslag en de vordering van de benadeelde partij. Het hof zal het vonnis – met aanvulling van de bewijsmiddelen - van de rechtbank in zoverre bevestigen.
Ten aanzien van de strafoplegging komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.

Aanvulling bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen die in het vonnis zijn opgenomen worden als volgt aangevuld en/of verbeterd.
  • Het hof verbetert in voetnoot 1 in het vonnis van de rechtbank de verwijzing naar het politiedossier: 12 januari 2024 wordt gewijzigd in 16 november 2023;
  • Het hof vult het bewijsmiddel in voetnoot 8 in het vonnis van de rechtbank aan met pag. 126.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging

De raadsman heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, omdat niet aan het klachtvereiste is voldaan. Er bevindt zich geen klacht in het dossier. Het dossier bevat slechts een proces-verbaal van een agent die stelt dat aangever een klacht heeft ingediend en dat de klacht bij proces-verbaal is opgenomen, maar dat laatste blijkt niet uit de stukken. In het dossier is geen ander stuk waaruit duidelijk de wens van aangever om tot vervolging over te gaan blijkt.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat aan het klachtvereiste is voldaan, aangezien een door de hulpofficier van justitie opgestelde klacht in het dossier is opgenomen. Daarnaast blijkt uit het ingediende verzoek tot schadevergoeding dat de aangever de vervolging van verdachte wenst.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging betreffende het niet voldoen aan het klachtvereiste, aangezien in het proces-verbaal ontvangst klacht door hulpofficier van justitie van 13 december 2023 staat vermeld dat klager uitdrukkelijk heeft verzocht om tot vervolging over te gaan. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

Oplegging van straf

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk.
De raadsman heeft verzocht om, indien het hof komt tot een bewezenverklaring, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest. Indien het hof meent dat dit onvoldoende recht doet aan de bewezenverklaring, verzoekt de verdediging het meerdere te zoeken in een voorwaardelijk straf en/of taakstraf.
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich gedurende enkele weken schuldig gemaakt aan afdreiging en een poging tot afdreiging. Verdachte heeft zich op het internet voorgedaan als een minderjarige meisje en op die manier chantagemateriaal verworven. Nadat aangever het gesprek gestopt had, heeft verdachte aangever gedwongen tot afgifte van meerdere geldbedragen. Als aangever deze geldbedragen niet zou geven, dan zou verdachte de chatgesprekken openbaren. Verdachte heeft daarbij onder meer gedreigd dat hij de kinderen van aangever zou benaderen. Verdachte heeft hierdoor geprobeerd geld te verdienen aan het chanteren en afpersen van een ander. Verdachte heeft aangever doelbewust in een kwetsbare positie gebracht en daarvan misbruik gemaakt met als enige doel hier geld aan te verdienen.
Het hof overweegt dat het absoluut niet door de beugel kan om als volwassen man
seksueel getinte gesprekken met 14 jarige meisjes te voeren. Het kan echter evenmin door de beugel om zich als volwassen man voor te doen als een 14 jarig meisje, om vervolgens
- nadat er een seksueel getinte conversatie met een ander is ontstaan - die ander te gaan
chanteren.
Het hof heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie van 23 september 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke misdrijven is veroordeeld.
Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een straf die geen
vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof heeft bij de vaststelling van de duur
daarvan in het bijzonder gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Het hof weegt verder mee dat verdachte geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en geen inzicht heeft getoond in de kwalijkheid daarvan.
Het hof acht de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. Het hof zal daarnaast als bijzondere voorwaarde een contactverbod met aangever opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de eerder bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 16 december 2022 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 28 dagen, parketnummer 16-068583-21. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen.
De verdediging heeft primair verzocht om de vordering af te wijzen, nu het om andersoortige feiten gaat die bovendien behoorlijk gedateerd zijn, te weten uit maart 2021. Indien wel tot tenuitvoerlegging wordt overgegaan, verzoekt de verdediging de proeftijd te verlengen en anders de gevangenisstraf voor de duur van 28 dagen om te zetten in een taakstraf.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal het hof de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 16-068583-21 toewijzen.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 45, 57 en 318 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jaren:
  • aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of
  • verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of
  • geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
stelt als bijzondere voorwaarden:
- verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met [benadeelde] (geboren op [geboortedag 2] 1959), slachtoffer in onderhavige zaak, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 16 december 2022, parketnummer 16-068583-21, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:
gevangenisstrafvoor de duur van
28 (achtentwintig) dagen.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door
mr. D. Stikkelbroeck, voorzitter,
mr. R.W.E. van Leuken en mr. R.D.J. Visschers, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. G.C. Drenthe, griffier,
en op 6 november 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 6 november 2025.
mr. D. Stikkelbroeck, voorzitter,
mr. R. Krijtenburg, advocaat-generaal,
mr. T.G. Remmink, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
Verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.