De kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland verleende op 5 maart 2025 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [minderjarige1] tot 2 april 2025, welke op 25 maart 2025 werd verlengd tot 2 oktober 2025. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beschikkingen en verzocht het hof om de uithuisplaatsing af te wijzen of te beperken.
Het hof voerde een rechtmatigheidstoets uit, aangezien de machtigingen inmiddels waren verlopen. Uit het onderzoek bleek dat er ernstige zorgen waren over de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige, waaronder het niet naar school gaan, gebrek aan sociale contacten en een functionele neurologische stoornis. De moeder belemmerde de toegang van hulpverleners tot het kind, wat de zorgen versterkte.
Het hof concludeerde dat de spoedmachtiging en de verlenging daarvan noodzakelijk en rechtmatig waren. Tevens bleek uit het contact met de minderjarige dat haar situatie in het gezinshuis verbeterd was. De beschikkingen van 5 en 25 maart 2025 werden daarom bekrachtigd, terwijl het beroep tegen de beschikking van 18 maart 2025 was ingetrokken.