Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2025:7130

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
200.357.037/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na niet-ontvankelijkheid verzoek tot schorsing tenuitvoerlegging beschikking

In deze civiele procedure in hoger beroep heeft de man een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een beschikking van de rechtbank Gelderland ingediend. Tijdens de procedure heeft hij dit verzoek ingetrokken, waardoor het hof hem niet-ontvankelijk verklaarde in dit verzoek.

De vrouw verzocht vervolgens om proceskostenveroordeling omdat zij van mening was dat het verzoek tot schorsing ongegrond was en de man haar onnodig op kosten had gejaagd. De man betwistte dit en stelde dat hij een redelijk belang had bij het verzoek en dat geen financiële noodtoestand bij hem aanwezig was.

Het hof oordeelde dat de man onvoldoende onderbouwing gaf voor het schorsingsverzoek, met name omdat er geen risico bestond dat de vrouw niet zou kunnen terugbetalen. Hierdoor was het verzoek ongegrond en had de man de vrouw onnodig op kosten gejaagd. Daarom wees het hof het verzoek van de vrouw tot proceskostenveroordeling toe en veroordeelde de man tot betaling van € 1.214 aan proceskosten.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en uitgesproken door het hof Arnhem-Leeuwarden op 13 november 2025.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot schorsing en veroordeeld tot betaling van € 1.214 proceskosten aan verweerster.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.357.037/02
(zaaknummer rechtbank Gelderland 422652)
beschikking van 13 november 2025 op het verzoek tot schorsing
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. M.P.H. van Maanen Winters,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats1] ,
verweerster,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. C.L. van Olst.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 28 mei 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing met producties, ingekomen op 18 juli 2025;
- het verweer op het verzoek tot schorsing met producties;
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties;
- een journaalbericht van mr. Van Maanen Winters van 6 oktober 2025 met een e-mail van mr. Van Maanen Winters van dezelfde datum;
- een journaalbericht van mr. Van Olst van 9 oktober 2025 met bijlagen;
- een journaalbericht van 27 oktober 2025 met als bijlage een uitlating van de man over het verzoek tot proceskostenveroordeling.

3.De motivering van de beslissing

Verzoek tot schorsing
3.1
De man heeft het hof bij het journaalbericht van zijn advocaat mr. Van Maanen Winters van 6 oktober 2025 laten weten dat hij zijn verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking van 28 mei 2025 wenst in te trekken.
Het hof maakt hieruit op dat de man de gronden van het verzoek in het incident niet handhaaft. Dit brengt mee dat het hof de man niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking.
Proceskostenveroordeling
3.2
De vrouw verzoekt de man te veroordelen in de kosten van deze procedure. Volgens de vrouw moest voor de man en zijn advocaat vooraf duidelijk zijn dat van een kennelijke of juridische misslag geen sprake is. De man heeft voorts niet gesteld noch onderbouwd dat bij hem een financiële noodtoestand zal ontstaan. De man heeft door zijn wijze van procederen de vrouw nodeloos op kosten gejaagd, aldus de vrouw.
De man betwist dat en voert aan dat geen van de uitzonderingen op de gebruikelijke compensatie van de proceskosten in familierechtelijke zaken zich hier voordoet. Hij had alleszins een redelijk belang bij het instellen van zijn verzoek tot schorsing omdat hij moest voorkomen dat hij in financiële problemen zou raken, aldus de man.
3.3
Uit de gronden voor de schorsing blijkt dat de man schorsing vroeg vanwege een terugbetalingsrisico aan de zijde van de vrouw. Maar de man stelt ook dat de vrouw (bij benadering) € 550.000 krijgt of inmiddels heeft uit de opbrengst van verkochte panden. Van enig risico aan de zijde van de vrouw op het niet kunnen terugbetalen (eventueel) is dan ook geen sprake. Nu een relevante, verdere, onderbouwing van het verzoek tot schorsing van de man ontbreekt en de vrouw door dat verzoek nodeloos op kosten is gejaagd, ziet het hof aanleiding het verzoek van de vrouw tot een kostenveroordeling toe te wijzen.
De door de man aan de vrouw te betalen proceskosten in het incident begroot het hof op
€ 1.214 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (1 punt x € 1.214 (tarief II)).

4.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 28 mei 2025;
veroordeelt de man in de proceskosten van de vrouw in het incident, begroot op € 1.214;
verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, I.G.M.T. Weijers-van der Marck en
S. Kuijpers en is op 13 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.