ECLI:NL:GHARL:2025:7234

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
200.333.617
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenarrest over erfdienstbaarheid van overpad en de verplichtingen van partijen

In deze zaak gaat het om een erfdienstbaarheid van overpad tussen twee buren, waarbij de appellant, die gebruik maakt van het perceel van de geintimeerde, een vernieuwde asfaltlaag op de toegangsweg heeft aangebracht. De appellant vorderde bij de rechtbank dat hij bevoegd was om het asfalt te vernieuwen en dat de geintimeerde deze vernieuwde asfaltlaag moest respecteren. De rechtbank wees alle vorderingen van de appellant af, waarna de appellant in hoger beroep ging. Het hof oordeelt dat de appellant bevoegd was om de asfaltlaag te vernieuwen, maar dat de geintimeerde niet verplicht is deze te respecteren. Het hof biedt partijen de gelegenheid om zich uit te laten over de inhoud van een akte ter vastlegging van het recht van erfdienstbaarheid. Het hof houdt verdere beslissingen aan en stelt een nieuwe roldatum vast voor 16 december 2025.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.333.617
(zaaknummer rechtbank Gelderland 395045, zittingsplaats Arnhem)
arrest van 18 november 2025
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
hierna: [appellant]
advocaat: mr. J.T. Fuller
tegen
[geintimeerde]
die woont in [woonplaats1]
hierna: [geintimeerde]
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders-Folmer

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Naar aanleiding van het arrest van 5 december 2023 heeft [in] 2024 de gerechtelijke plaatsopneming gevolgd door een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Daarna heeft hof kennisgenomen van de volgende processtukken:
  • memorie van grieven tevens akte wijziging en vermeerdering van eis
  • memorie van antwoord tevens antwoordakte wijziging en vermeerdering van eis
  • akte van [appellant]
  • antwoordakte van [geintimeerde] .
1.2.
Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[appellant] maakt gebruik van het perceel van [geintimeerde] om zijn eigen perceel met een voertuig te kunnen bereiken. Daarvoor geldt een erfdienstbaarheid van overpad die door verjaring is ontstaan. [in] 2021 heeft [appellant] het gedeelte van de toegangsweg dat op zijn eigen perceel loopt opnieuw laten asfalteren. Dat heeft hij ook gedaan met een strook van 5 meter die op het perceel van [geintimeerde] ligt.
2.2.
[appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd dat onder andere voor recht zal worden verklaard dat hij bevoegd was het asfalt op de weg te vernieuwen en dat [geintimeerde] de vernieuwde asfaltlaag dient te respecteren. Verder heeft hij gevorderd dat [geintimeerde] zal worden veroordeeld mee te werken aan notariële vastlegging en inschrijving van de erfdienstbaarheid in de registers van het kadaster op straffe van verbeurte van een dwangsom. Ook vorderde hij dat [geintimeerde] wordt veroordeeld tot verwijdering van de in de weg aangebrachte drempels. Alles met veroordeling van [geintimeerde] in de proceskosten.
2.3.
De rechtbank heeft alle vorderingen van [appellant] afgewezen. De bedoeling van [appellant] met het hoger beroep is dat de door hem gewijzigde vorderingen alsnog worden toegewezen. De kwestie van de drempels in de weg maakt geen deel meer uit van het hoger beroep.
2.4.
[appellant] vordert in hoger beroep:
a. voor recht te verklaren dat [appellant] bevoegd was het asfalt op de weg te vernieuwen
althans dat de door hem aangebrachte asfaltlaag, conform de tussen partijen gesloten overeenkomst en afspraken is aangebracht, althans conform de rechten en plichten van het recht van overpad van [appellant] is aangebracht, en dat [geintimeerde] de vernieuwde asfaltlaag dient te respecteren;
[geintimeerde] ertoe te veroordelen uiterlijk 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest haar medewerking te verlenen aan de notariële vastlegging en inschrijving van het recht van erfdienstbaarheid in de openbare register van het kadaster, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,-- voor elke dag dat [geintimeerde] in deze in gebreke blijft;
c. [geintimeerde] te veroordelen in de kosten die [appellant] heeft gemaakt en nog moet maken
om over te kunnen gaan tot het vestigen van een recht van erfdienstbaarheid, welke kosten voor zover nodig bij staat moeten worden opgemaakt,
met veroordeling van [geintimeerde] in de proceskosten van zowel de procedure in hoger beroep als die bij de rechtbank.
2.5.
[geintimeerde] is het inhoudelijk met het vonnis van de rechtbank eens en verzoekt het hof om de vorderingen van [appellant] af te wijzen en hem te veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Zij voert, net als bij de rechtbank, het verweer dat [appellant] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk is omdat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding; zij is niet alleen rechthebbende tot het perceel met daarop het overpad. De kinderen van [naam1] zijn ook erfgenaam en daarom hadden die ook in de procedure moeten worden betrokken.

3.Het oordeel van het hof

De beslissing in het kort
3.1.
Het hof zal beslissen dat de vorderingen van [appellant] wat betreft de asfaltlaag in zoverre zal worden toegewezen dat het hof zal verklaren dat hij bevoegd was om deze te vernieuwen, maar dat [geintimeerde] op haar beurt niet verplicht is deze te respecteren. Het hof zal partijen verder in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de inhoud van een in te schrijven akte ter vastlegging van het recht van erfdienstbaarheid. Hoe het hof tot dit oordeel komt wordt hierna toegelicht. Eerst gaat het hof in op de vaststaande feiten.
De vaststaande feiten
3.2.
[geintimeerde] woont aan [adres1] te [woonplaats1] op een perceel dat in 1976 door haar en haar inmiddels overleden echtgenoot [naam1] in eigendom is verworven. [appellant] woont daarnaast, op [adres2] . Om met een voertuig vanuit zijn woning van en naar de openbare weg ( [adres3] ) te gaan maakt hij gebruik van een strook grond van circa 35 meter lang die deel uitmaakt van het perceel van [geintimeerde] (hierna: het overpad). Dit pad loopt door over het perceel van [appellant] die [sinds] 2012 daarvan eigenaar is. Door verjaring is een erfdienstbaarheid van weg ontstaan, die [appellant] mag uitoefenen.
3.3.
[appellant] en [naam1] hebben [in] 2013 met elkaar een vaststellingsovereenkomst gesloten over de erfdienstbaarheid (hierna: de vso). Daarin wordt over de bestrating van het overpad onder andere het volgende afgesproken:
“1.1. [naam1] zal binnen 4 weken na het tekenen van deze vaststellingsovereenkomst de Weg bestraten met deugdelijke straatstenen zodat de Weg gebruikt kan worden voor het doel van een redelijk gebruik van overpad (…).
1.3.
[appellant] zal na de bestrating van de weg deze bestrating accorderen door ondertekening van de laatste pagina in deze overeenkomst, onderaan. (…)”
3.4.
[appellant] heeft voor € 2.000,- bijgedragen aan de overeengekomen bestrating. [naam1] heeft daarna de eerste 30 meter van het overpad (bezien van de openbare weg) bestraat met klinkers. Het laatste gedeelte van het overpad, een strook van circa 5 meter op het perceel van [naam1] en [geintimeerde] en grenzend aan dat van [appellant] , is toen niet bestraat omdat deze strook al lange tijd geleden (door een rechtsvoorganger van [appellant] ) was geasfalteerd en het asfalt nog in goede staat verkeerde.
3.5.
In opdracht van [appellant] is [in] 2021 het pad, voor zover dat op zijn perceel loopt, opnieuw geasfalteerd. Op deze dag heeft de dochter van [geintimeerde] borden geplaatst waarop is vermeld dat er op het perceel van [geintimeerde] niet mag worden geasfalteerd. Dat is toen ook gezegd tegen de aannemer. Niettemin is toen ook de strook van 5 meter op het perceel van [geintimeerde] , nadat de oude asfaltlaag was verwijderd, opnieuw geasfalteerd.
3.6.
[geintimeerde] heeft in een namens haar geschreven brief [in] 2021 [appellant] verzocht om het asfalt op de strook van 5 meter te verwijderen. Dat heeft [appellant] geweigerd. Uiteindelijk heeft [appellant] op 3 november 2022 de inleidende dagvaarding uitgebracht.
Ontvankelijkheid
3.7.
[geintimeerde] heeft bij de rechtbank, samengevat, gesteld dat [appellant] niet-ontvankelijk is in zijn vordering omdat er sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Volgens haar zijn haar vier kinderen namelijk mede-eigenaar van de woning (en dus ook van het overpad) en had [geintimeerde] ook hen moeten dagvaarden. De rechtbank heeft dat verweer gepasseerd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de door [geintimeerde] overgelegde verklaring van erfrecht volgt dat de wettelijke verdeling (Boek 4, afdeling 1, titel 3 BW) van toepassing is zodat [geintimeerde] bij overlijden van [naam1] van rechtswege de goederen van zijn nalatenschap verkreeg. De kinderen van [naam1] zijn daarmee geen mede-eigenaren van de woning en het overpad geworden en er is dus geen sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. [appellant] kon dus volstaan met het dagvaarden van alleen [geintimeerde] , zo staat een en ander in het incidenteel vonnis van 23 februari 2022.
3.8.
[geintimeerde] heeft dit verweer in hoger beroep gehandhaafd en heeft daaraan toegevoegd dat de dagvaardingen in eerste aanleg en in hoger beroep onduidelijk zijn doordat [appellant] daarmee uitsluitend haar heeft opgeroepen. Hieraan gaat het hof voorbij omdat [geintimeerde] in hoger beroep evenmin als in eerste aanleg heeft onderbouwd dat haar kinderen mede-eigenaar zijn van het perceel. Zoals de rechtbank heeft overwogen zijn de kinderen volgens de verklaring van erfrecht weliswaar erfgenaam, maar zijn zij daardoor nog geen mede-eigenaar van dat perceel geworden. Het hof ziet daarom geen reden om de kinderen te laten oproepen en ook geen reden om de dagvaardingen ongeldig te verklaren, ook niet ambtshalve.
De inhoudelijke kant van de zaak
De 5 meter asfaltstrook
3.9.
[appellant] stelt zich op het standpunt dat hij bevoegd was om de 5 meter opnieuw te laten asfalteren omdat [geintimeerde] hem daar toestemming voor heeft gegeven en omdat de vso hem bevoegd maakt om het asfalt bij noodzaak daartoe te vernieuwen en [geintimeerde] verplicht om het asfalt te laten liggen. Daar volgt het hof [appellant] gedeeltelijk in en dat licht het hof als volgt toe.
3.10.
Volgens grief 3 van [appellant] geeft een ‘opleveringsovereenkomst’ ( [appellant] bedoelt hier kennelijk mee het ondertekenen van de vso conform artikel 1.3 van die overeenkomst) hem het recht om de toplaag van het asfalt te vernieuwen. Hij beroept zich daarmee op een samenstel van feiten en omstandigheden, namelijk de inhoud van de vso, de keuze van [naam1] om de strook van 5 meter asfalt te laten liggen en het feit dat [naam1] hem na het aanleggen van het klinkerpad en laten liggen van het asfalt zonder voorbehoud de vso heeft laten ondertekenen. [geintimeerde] , die als erfgenaam van [naam1] niet alleen de eigenaar is geworden van het perceel met daarop het pad, maar ook partij bij de vso, ontkent dit. In alinea’s 39, 49 en 50 van haar memorie van antwoord en alinea’s 43 en 56 e.v. van haar conclusie van antwoord heeft zij aangevoerd dat zij en [naam1] vóór en na het sluiten van de vso de aanwezigheid van het asfalt ‘
om wille van de lieve vrede’ hebben gedoogd en dat [appellant] volgens de vso uitsluitend onderhoud aan het pad mocht plegen door het asfalt te vervangen door klinkers. Dit laatste is iets waartoe de vso haar een claim geeft, voert zij aan.
3.11.
Naar het oordeel van het hof heeft [geintimeerde] onvoldoende gemotiveerd ontkend dat [appellant] bevoegd was om de toplaag van het asfalt te vervangen. [geintimeerde] heeft in haar conclusie van antwoord onder 52 e.v. weliswaar ontkend dat het asfalt in 2022 aan vernieuwing toe was, maar heeft dit verweer slechts uitgewerkt door te stellen dat vervanging door klinkers door de vso werd voorgeschreven en mogelijk was. Het hof gaat er daarom vanuit dat vernieuwing van de toplaag redelijkerwijs noodzakelijk was. Het eerste protest tegen de vervanging van de asfaltlaag dateert volgens [geintimeerde] van de dag waarop de werkzaamheden werden uitgevoerd. In het licht hiervan had het op de weg van [geintimeerde] gelegen om toe te lichten dat [appellant] (opeens) verplicht was om de aannemer die hij daartoe opdracht had gegeven, onverrichterzake weg te sturen. Of [geintimeerde] vooraf (al of niet stilzwijgend) toestemming voor het uitvoeren van die werkzaamheden heeft gegeven, kan daarom in het midden blijven. De vordering I in hoger beroep om bij rechterlijke uitspraak vast te stellen (voor recht te verklaren) dat [appellant] bevoegd was om het asfalt te vernieuwen is daarom naar het oordeel van het hof tot zover gegrond.
3.12.
De vorderingen van [appellant] onder I gaan verder: hij wil ook laten vaststellen dat [geintimeerde] de vernieuwde asfaltlaag moet respecteren. Van een verplichting van [geintimeerde] om de asfaltlaag te laten liggen, is echter niet gebleken. De tekst van de vso geeft haar een aanspraak op het aanleggen van klinkers. [naam1] heeft hiervan in 2013 weliswaar niet volledig gebruik gemaakt en hij heeft de vso aan [appellant] ter ondertekening voorgelegd zonder opmerkingen te maken over het asfalt. Maar dit neemt niet weg dat de tekst van de vso geen beperking bevat ten aanzien van het recht van [naam1] / [geintimeerde] op het aanleggen van klinkers. Op grond van bijkomende feiten en omstandigheden zouden partijen mogelijkerwijs over en weer redelijkerwijs in de vso de door [appellant] gestelde beperking kunnen lezen en/of mogen verwachten dat [naam1] op de plaats waar de strook van 5 meter asfalt ligt geen klinkers wilde leggen (de Haviltexnorm), maar [appellant] heeft daartoe onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen. Het hof zal de vordering om voor recht te verklaren dat [geintimeerde] de nieuwe asfaltlaag moet respecteren dus afwijzen omdat [geintimeerde] (nog steeds) het recht heeft om dit deel van de weg alsnog te bestraten met straatklinkers.
De inschrijving van de erfdienstbaarheid in het kadaster
3.10.
[appellant] voert aan dat er op dit moment onzekerheid bestaat over de erfdienstbaarheid omdat er geen akte van erfdienstbaarheid is voor het 35 meter lange overpad en van die erfdienstbaarheid niets blijkt uit de registers van het Kadaster (de openbare registers). Hij wil zekerheid hebben dat hij vanaf zijn perceel altijd de openbare weg kan bereiken, zeker nu [geintimeerde] aan het opstellen van een akte van erfdienstbaarheid geen medewerking wil verlenen. [appellant] stelt dat een erfdienstbaarheid die door verjaring is ontstaan een voor inschrijving vatbaar feit is. Op de mondelinge behandeling bij het hof is hierover uitgebreid gesproken. Een notaris heeft een conceptakte opgesteld maar [geintimeerde] wil hier niet aan meewerken. [geintimeerde] stelt daartegenover dat sinds jaar en dag gebruik wordt gemaakt van het recht van overpad zodat [appellant] geen belang heeft om de erfdienstbaarheid in een akte te laten vastleggen en in te schrijven in het kadaster. Bovendien is zij niet akkoord met de omschrijving van de erfdienstbaarheid en overige bepalingen die in de conceptakte staan.
3.11.
De rechtbank heeft overwogen dat het bestaan van een erfdienstbaarheid tussen partijen niet in geschil is. Ook het hof gaat hiervan uit. Het vastleggen van alleen dit recht, zonder nadere duiding, brengt partijen echter niet verder, zoveel is zeker gelet op deze procedure en de daarin ingenomen standpunten. Een dergelijke vastlegging zou ook in strijd zijn met de vaststellingsovereenkomst, omdat de bedoeling daarvan nu juist is om afspraken te maken ter nadere invulling van de erfdienstbaarheid. Naar het oordeel van het hof bestaat er dus wel een belang bij inschrijving van de erfdienstbaarheid, maar heeft dat pas zin op het moment dat partijen helder hebben wat de inhoud daarvan is of moet zijn. Ter voorkoming van verdere geschillen zal het hof partijen dan ook in de gelegenheid stellen om ieder een toelichting te geven op de inhoud die het recht van erfdienstbaarheid naar hun mening heeft. Te denken valt bijvoorbeeld aan de vraag wie het pad waarop de erfdienstbaarheid rust kan gebruiken, de aard van het toegestane gebruik, wie voor bestrating/verharding zorgt, wie verantwoordelijk is voor aanleg/onderhoud, wie de kosten daarvan draagt, hoe besluitvorming over aanleg/onderhoud wordt vormgegeven, wie partij is bij de akte en overige punten waarvan zij menen dat daaraan aandacht moet worden besteed in de in te schrijven akte van vestiging. Voor zover voor deze punten relevant, vraagt het hof partijen daarbij toe te lichten op welke wijze de erfdienstbaarheid op dat punt tot op heden is uitgeoefend. Ook geeft het hof partijen mee daarbij in te gaan op de rol die de vso in dit kader speelt. Partijen zullen vervolgens op elkaars aktes mogen reageren.
3.12.
Ten aanzien van de vordering van [appellant] om [geintimeerde] te veroordelen in de kosten die [appellant] heeft gemaakt en nog moet maken om over te kunnen gaan tot het vestigen van een recht van erfdienstbaarheid, oordeelt het hof dat het voor volledige toewijzing daarvan geen aanleiding ziet. Beide partijen hebben belang bij het verkrijgen van duidelijkheid over de inhoud van het recht van erfdienstbaarheid, en het inschrijven van een akte die die inhoud vastlegt. Het komt het hof dan ook redelijk voor dat partijen de kosten voor het vastleggen en inschrijven van de erfdienstbaarheid beiden voor de helft dragen. In het eindarrest zal het hof de vordering van [appellant] in die zin toewijzen, dat [geintimeerde] veroordeeld wordt tot betaling van de helft van de nog te maken kosten voor het vastleggen en inschrijven van de erfdienstbaarheid.
3.13.
Het hof kan zich daarbij voorstellen dat partijen met behulp van hun advocaten na het nemen van de aktes met elkaar in overleg gaan of zij zelf de vastlegging van de erfdienstbaarheid kunnen verzorgen zonder dat een uitspraak van het hof nodig is.
3.14.
Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 16 december 2025 voor het gelijktijdig nemen van een akte door partijen als bedoeld in rechtsoverweging 3.13 met betrekking tot de inhoud van het recht van erfdienstbaarheid, waarna partijen in de gelegenheid zullen worden gesteld om gelijktijdig nog een antwoordakte te nemen;
4.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, W.C. Haasnoot en D.W.J.M. Kemperink, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025.