ECLI:NL:GHARL:2025:7301

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
200.358.651/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in hoger beroep

In deze zaak heeft de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, op 15 mei 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de minderjarige, die bij de andere ouder met gezag geplaatst zou worden. De moeder is het niet eens met deze beslissing en gaat in hoger beroep. Het hof heeft de situatie beoordeeld en vastgesteld dat de omstandigheden zijn veranderd, maar dat de machtiging tot uithuisplaatsing op goede gronden is verleend. De ouders hebben twee kinderen, waarvan de oudste bij de vader woont en de jongste, [minderjarige], sinds juni 2025 ook bij de vader verblijft. Het hof oordeelt dat de huidige situatie beter is voor [minderjarige], die in een onveilig opvoedklimaat opgroeide. De vader heeft zijn werktijden aangepast om beschikbaar te zijn voor [minderjarige] en er is hulpverlening ingezet. Het hof bekrachtigt de beslissing van de kinderrechter, ondanks de zorgen over het contact tussen de kinderen en de moeder. Het hof benadrukt het belang van de betrokkenheid van de GI bij de verdere begeleiding van de kinderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.358.651
zaaknummer rechtbank Gelderland 451279
beschikking van 20 november 2025
over de uithuisplaatsing van [minderjarige]
in de zaak van
[moeder](de moeder)
die woont in [woonplaats1] , gemeente Buren
advocaat: mr. R. Plieger
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
die is gevestigd in Arnhem
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering(de GI)
die is gevestigd in Amsterdam
en
[vader](de vader)
die woont in [woonplaats2] , gemeente Buren
advocaat: mr. W.G. Kuster-van de Ven

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft [minderjarige] op 15 mei 2025 onder toezicht gesteld en een machtiging tot uithuisplaatsing bij de andere ouder met gezag voor [minderjarige] verleend tot 15 mei 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben twee kinderen, [jongmeerderjarige] , geboren [in] 2007 in [geboorteplaats] (Hongarije) en [minderjarige] , geboren [in] 2009 in [geboorteplaats] (Hongarije).
2.2.
Bij beschikking van dit gerechtshof van 4 juli 2019 is de moeder alleen belast met het ouderlijk gezag over [jongmeerderjarige] en [minderjarige] . De rechtbank heeft in een beschikking van 15 mei 2025 die beschikking van het gerechtshof gewijzigd en bepaald dat de ouders voortaan weer gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over [jongmeerderjarige] en [minderjarige] . Daarnaast heeft de rechtbank in die beschikking het hoofdverblijf van [jongmeerderjarige] bij de vader vastgesteld.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De raad heeft de kinderrechter verzocht [minderjarige] (en [jongmeerderjarige] ) onder toezicht te stellen van de GI en [minderjarige] uit huis te mogen plaatsen bij de vader.
3.2.
De kinderrechter heeft de verzoeken van de raad toegewezen en de GI gemachtigd om [minderjarige] uit huis te plaatsen (bij de vader) tot 15 mei 2026.
3.3.
Die beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2025 en op schrift gesteld op 23 mei 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moederis het niet eens met de beslissing van de kinderrechter om [minderjarige] bij de vader te plaatsen. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt.
4.2.
De vaderis het wel eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter in stand laat.
4.3.
De raadwil dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift
  • het verweerschrift van de raad
  • het verweerschrift van de vader
  • de stukken van mr. Plieger, ingediend op 14 oktober 2025
4.5.
[minderjarige] heeft op 20 oktober 2025 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van de uithuisplaatsing.
4.6.
De zitting bij het hof was op 21 oktober 2025. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat
  • de vader met zijn advocaat
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (de raad)
  • twee vertegenwoordigers van de GI

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een machtiging geven een kind uit huis te plaatsen. De kinderrechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van het kind of voor onderzoek van het kind [1] .
Hoe oordeelt het hof?
5.2.
Op het moment dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing bij de andere ouder met gezag voor [minderjarige] heeft verleend, was de situatie anders. De kinderrechter ging uit van de situatie dat de kinderen er grote behoefte aan hadden om dicht bij elkaar te zijn en voor elkaar te zorgen. Omdat [jongmeerderjarige] al bij de vader woonde, is besloten in het belang van [minderjarige] dat zij daar ook kon verblijven, maar dat is nu veranderd. [minderjarige] woont sinds juni 2025 bij de vader, maar [jongmeerderjarige] woont sinds eind augustus 2025, na een ernstig incident met de vriend van [jongmeerderjarige] in de woning van de vader, ergens anders. Toch vindt het hof dat de machtiging tot uithuisplaatsing aan de GI op goede gronden is gegeven, omdat [minderjarige] in een onstabiel en onveilig opvoedklimaat opgroeide en het nu beter is voor haar dat zij bij de vader blijft wonen.
5.3.
Het hof volgt de moeder niet in haar vrees dat [minderjarige] door de houding en opstelling van de vader onvoldoende begeleiding en ondersteuning zal krijgen. [minderjarige] is duidelijk in haar wens om bij de vader te willen blijven wonen en het gaat – ook na het vertrek van [jongmeerderjarige] – goed met haar. De vader heeft, ondanks zijn bedenkingen en wantrouwen jegens de hulpverlening, zijn werktijden aangepast zodat hij zoveel mogelijk beschikbaar is voor [minderjarige] en er is hulpverlening ingezet (Samen18). Daarnaast is het gezin aangemeld bij ‘s Heerenloo voor een breed onderzoek en diagnostiek; de uitkomsten hiervan zijn leidend voor het vervolg en voor passende hulpverlening. Volgens de school is een duidelijke groei in de sociaalemotionele ontwikkeling van [minderjarige] te zien.
5.4.
Wel vindt het hof het zorgelijk dat [minderjarige] nu geen contact heeft met [jongmeerderjarige] en zegt ook geen contact te willen met de moeder. Het lijkt erop dat dit voortvloeit uit een loyaliteitsconflict. Het hof verwacht dat de GI nader zal bekijken of plaatsing bij de vader duurzaam en houdbaar is en wat het meest in belang van [minderjarige] is. Ter zitting is naar voren gekomen dat beide meisjes te maken hebben met adoptie- en hechtingsproblematiek en dat het de voorkeur heeft dat de GI iemand inschakelt met kennis van deze problematiek. De kinderen zijn geneigd contacten te verbreken als dat contact moeilijk verloopt. Belangrijk is dat zij aan de hand worden genomen en hen te laten voelen dat zij controle hebben. Het hof merkt op dat het zou goed zijn als de GI aan [minderjarige] duidelijk maakt dat het voor haar moeilijk moet zijn geweest, maar dat de moeder altijd vanuit goede bedoelingen heeft gehandeld en dat beide ouders het beste voor haar willen.
5.5.
De beslissing van de kinderrechter zal daarom in stand blijven (worden bekrachtigd).

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 15 mei 2025 over de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] .
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, R. Feunekes en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is op 20 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 BW.