De kinderrechter van de rechtbank Gelderland stelde de minderjarige onder toezicht en verleende een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader tot 15 mei 2026. De moeder ging hiertegen in hoger beroep omdat zij het niet eens was met de plaatsing bij de vader.
Het hof overwoog dat hoewel de situatie was veranderd doordat de oudere zus na een incident elders woont, de machtiging op goede gronden was verleend. De minderjarige groeide op in een onstabiel en onveilig opvoedklimaat en het is in haar belang dat zij bij de vader blijft wonen.
De zorgen van de moeder over onvoldoende begeleiding door de vader werden niet gevolgd. De minderjarige wenst zelf bij de vader te blijven en er is passende hulpverlening ingezet. Het hof benadrukte echter de zorg over het gebrek aan contact tussen de minderjarige en haar zus en moeder, mogelijk door loyaliteitsconflicten.
Het hof verwacht dat de gecertificeerde instelling de plaatsing duurzaam zal monitoren en passende deskundigheid zal inschakelen gezien de adoptie- en hechtingsproblematiek. De beschikking van de kinderrechter wordt daarom bekrachtigd.