ECLI:NL:GHARL:2025:7304

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
200.355.624/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing verzoek tot vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing met rechtsmiddelenverbod

In deze zaak heeft de vader hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn verzoek door de kinderrechter in de rechtbank Gelderland om een schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling (GI) vervallen te verklaren. De kinderrechter had eerder besloten dat de schriftelijke aanwijzing, die de vader verplichtte tot medewerking aan onderzoeken voor een thuisplaatsing, niet vervallen kon worden verklaard. Het hof heeft de zaak op 20 november 2025 behandeld en geconcludeerd dat de vader ontvankelijk is in zijn hoger beroep, maar dat er geen gronden zijn voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod zoals vastgelegd in artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De vader had zich beroepen op artikel 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), maar het hof oordeelde dat de beperking van het hoger beroep geen schending van het recht op een eerlijk proces inhoudt. Het hof heeft het hoger beroep van de vader verworpen, waardoor de beslissing van de kinderrechter in stand blijft.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.624
zaaknummer rechtbank Gelderland 448440
beschikking van 20 november 2025
inzake
[verzoeker] (de vader)
die woont in [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep
advocaat: mr. R.W. de Gruijl
en
de gecertificeerde instelling
[verweerster] (de GI)
die is gevestigd in [woonplaats2]
verweerster in hoger beroep
Belanghebbende is:
[belanghebbende1] (de moeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. M.M.E. Rietjens

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft het verzoek van de vader om de schriftelijke aanwijzing van de GI vervallen te verklaren afgewezen. Het hof vindt dat dat zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2015,
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2017,
- [de minderjarige3] , geboren [in] 2019 en
- [de minderjarige4] , geboren op [in] 2020.
2.2
De vader en de moeder hebben samen het gezag over de kinderen.
2.3
Bij beschikking van 28 november 2023 heeft de kinderrechter in de rechtbank Gelderland de kinderen voor het eerst onder toezicht gesteld. Bij beschikking van 29 februari 2024 heeft de kinderrechter voor het eerst een machtiging tot uithuisplaatsing voor de kinderen verleend.
2.4
De ondertoezichtstelling is voor het laatst bij beschikking van 27 november 2024 verlengd tot 28 november 2025. In diezelfde beschikking heeft de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] in een gezinsgerichte voorziening en van [de minderjarige1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling verlengd.
2.5
Bij beschikking van 4 juli 2024 heeft de kinderrechter, voor zover hier van belang, als minimum zorgregeling tussen de moeder, de vader en de minderjarigen vastgesteld dat de ene week de moeder [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] ziet voor de duur van anderhalf uur fysiek, begeleid op een kindvriendelijke locatie en de vader een halfuur met hen zal bellen en de vader [de minderjarige1] ziet voor de duur van anderhalf uur fysiek, begeleid op een kindvriendelijke locatie en de moeder een half uur met hem zal bellen, en zo wekelijks om en om.
2.6
In de beschikking van 14 november 2024 heeft de kinderrechter de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd en bepaald dat de kinderen om de week een uur met moeder en aansluitend een uur met vader fysieke omgang hebben.
2.7
De vader en de moeder zijn allebei in hoger beroep gekomen tegen de machtiging tot uithuisplaatsing en de zorgregeling. Naar aanleiding hiervan heeft het hof in de tussenbeschikking van 11 maart 2025 de beslissing over de machtiging tot uithuisplaatsing aangehouden en een voorlopige zorgregeling vastgesteld. De verdere beslissingen hierover staan in de beschikking met zaaknummers 200.344.643, 200.348.794, 200.348.920, 200.348.799 en 200.349.272.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1
De GI heeft de vader de volgende schriftelijke aanwijzing gegeven:
“Uw medewerking aan onderzoeken teneinde het traject tot thuisplaatsing te onderzoeken.”
3.2.
De vader heeft de kinderrechter verzocht om de SA vervallen te verklaren.
3.3.
De kinderrechter heeft dat verzoek afgewezen.
3.4.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 15 mei 2025 (hierna ook: de bestreden beschikking).

4.De procedure bij het hof

4.1
De vader is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en de schriftelijke aanwijzing alsnog vervallen te verklaren.
4.2.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen
  • het beroepschrift
  • een brief van 3 oktober 2025 van de GI met producties
  • een brief van 6 oktober 2025 van mr. Rietjens met producties
  • een bericht van 15 oktober 2025 van mr. Rietjens met een productie.
4.3.
De mondelinge behandeling was op 16 oktober 2025. Deze vond tegelijkertijd plaats met de mondelinge behandeling in de zaak met de nummers 200.344.643, 200.348.794, 200.348.920, 200.348.799, 200.349.272 en 200.357.535. Hierbij waren aanwezig:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat
  • twee vertegenwoordigers van de GI
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad).

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1
De GI kan aan de ouder die met het gezag is belast schriftelijke aanwijzingen geven over de opvoeding en verzorging van het kind. [1] Op verzoek van deze ouder kan de kinderrechter een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. [2] Tegen een beschikking over de vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing staat geen hoger beroep open, maar alleen cassatie in het belang van de wet (het rechtsmiddelenverbod). [3] Als een rechtsmiddelenverbod geldt, kan toch hoger beroep worden toegelaten, onder meer als erover wordt geklaagd dat de rechter bij het nemen van zijn beslissing zodanig essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat niet meer kan worden gesproken van eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak. [4]
Het oordeel van het hof
5.2
De vader stelt in zijn beroepschrift twee gronden voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van artikel 807 Rv. Daarom is hij ontvankelijk in zijn hoger beroep. Maar naar het oordeel van het hof is geen sprake van één van de door hem gestelde doorbrekingsgronden. De vader doet een beroep op artikel 6 en 8 EVRM. Hij stelt dat artikel 807 Rv hem onvoldoende rechtsbescherming biedt. In artikel 6 EVRM staat dat een ieder recht heeft op een eerlijk proces, maar hieruit volgt niet dat een ieder het recht heeft om het geschil altijd aan rechters in twee instanties (in dit geval eerst aan de rechtbank en daarna aan het hof) voor te leggen. De beperking van het hoger beroep, zoals die staat in artikel 807 Rv, is geen schending van het recht op een eerlijk proces. Ook het beroep van de vader op artikel 8 EVRM kan de vader niet baten. De vader heeft in zijn beroepschrift uitgelegd waarom hij het inhoudelijk niet eens is met de schriftelijke aanwijzing, maar dat betekent niet dat zijn recht op respect voor zijn ‘family life’ is geschonden.
5.3
Hieruit volgt dat de vader zich niet met succes op doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van artikel 807 Rv kan beroepen, zodat het hoger beroep van de vader moet worden verworpen. Het hof komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van zijn verzoek tot het vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing.
De beslissing
Het hof:
verwerpt het hoger beroep van de vader.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K. Mans, J.H. Lieber en K.A.M. van Os-ten Have en is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2025.

Voetnoten

1.artikel 1:263 van het Burgerlijk Wetboek (BW)
2.artikel 1:264 BW
3.artikel 807 onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
4.Nauta, in: