ECLI:NL:GHARL:2025:7306

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
200.357.535/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming voor medische behandeling van minderjarige kinderen in het kader van ondertoezichtstelling

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 20 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de vervangende toestemming voor medische behandelingen van minderjarige kinderen. De rechtbank Gelderland had eerder toestemming verleend voor traumabehandelingen door GGZ en persoonlijkheidsonderzoeken van het NIFP in het kader van een perspectiefonderzoek. De vader van de kinderen, die in hoger beroep ging, was het niet eens met deze beslissing, met name voor wat betreft zijn oudste kind, [minderjarige1]. Het hof heeft de feiten en eerdere beslissingen van de rechtbank in overweging genomen, waaronder de ondertoezichtstelling van de kinderen en de machtiging tot uithuisplaatsing. Het hof oordeelde dat de GI (gecertificeerde instelling) niet voldoende had aangetoond dat de medische behandeling van [minderjarige1] noodzakelijk was om ernstig gevaar voor zijn gezondheid af te wenden. Het hof heeft geconcludeerd dat het verzoek om vervangende toestemming voor de traumabehandeling en het persoonlijkheidsonderzoek voorbarig was en heeft de beslissing van de rechtbank vernietigd. De vader had aangegeven dat hij bereid was toestemming te geven voor de behandeling als uit de psychomotorische therapie zou blijken dat deze noodzakelijk was. Het hof heeft de beslissing van de rechtbank om vervangende toestemming te geven voor de behandelingen van [minderjarige1] ongedaan gemaakt en het verzoek van de GI afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.357.535
zaaknummer rechtbank Gelderland 451459
beschikking van 20 november 2025
inzake
[vader] (de vader)
die woont in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep
advocaat: mr. R.W. de Gruijl
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland (de GI)
die is gevestigd in Arnhem
verweerster in hoger beroep
Belanghebbende is:
[moeder] (de moeder)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. M.M.E. Rietjens

1.Samenvatting

De rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft vervangende toestemming verleend voor de medische behandeling van de kinderen inhoudende de traumabehandelingen door GGZ en de persoonlijkheidsonderzoeken van het NIFP (in het kader van het perspectiefonderzoek). Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige1] , geboren [in] 2015,
- [minderjarige2] , geboren [in] 2017,
- [minderjarige3] , geboren [in] 2019 en
- [minderjarige4] , geboren [in] juli 2020.
2.2
De vader en de moeder hebben samen het gezag over de kinderen.
2.3
Bij beschikking van 28 november 2023 heeft de kinderrechter in de rechtbank Gelderland de kinderen voor het eerst onder toezicht gesteld. Bij beschikking van 29 februari 2024 heeft de kinderrechter voor het eerst een machtiging tot uithuisplaatsing voor de kinderen verleend.
2.4
De ondertoezichtstelling is voor het laatst bij beschikking van 27 november 2024 verlengd tot 28 november 2025. In diezelfde beschikking heeft de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige2] , [minderjarige3] en [minderjarige4] in een gezinsgerichte voorziening en van [minderjarige1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling verlengd.
2.5
Bij beschikking van 4 juli 2024 heeft de kinderrechter, voor zover hier van belang, als minimum zorgregeling tussen de moeder, de vader en de minderjarigen vastgesteld dat de ene week de moeder [minderjarige2] , [minderjarige3] en [minderjarige4] ziet voor de duur van anderhalf uur fysiek, begeleid op een kindvriendelijke locatie en de vader een halfuur met hen zal bellen en de vader [minderjarige1] ziet voor de duur van anderhalf uur fysiek, begeleid op een kindvriendelijke locatie en de moeder een half uur met hem zal bellen, en zo wekelijks om en om.
2.6
In de beschikking van 14 november 2024 heeft de kinderrechter de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd en bepaald dat de kinderen om de week een uur met moeder en aansluitend een uur met vader fysieke omgang hebben.
2.7
De vader en de moeder zijn allebei in hoger beroep gekomen tegen de machtiging tot uithuisplaatsing en de zorgregeling. Naar aanleiding hiervan heeft het hof in de tussenbeschikking van 11 maart 2025 de beslissing over de machtiging tot uithuisplaatsing aangehouden en een voorlopige zorgregeling vastgesteld. De verdere beslissingen hierover staan in de beschikking met zaaknummers 200.344.643, 200.348.794, 200.348.920, 200.348.799 en 200.349.272.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1
De GI heeft de rechtbank verzocht vervangende toestemming te verlenen voor de medische behandeling van de kinderen. Deze medische behandeling betreft de traumabehandelingen door GGZ en de persoonlijkheidsonderzoeken van het NIFP in het kader van het perspectiefonderzoek.
3.2
De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen.
3.3
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 10 juli 2025 met zaaknummer 451459.

4.De procedure bij het hof

4.1
De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank voor zover deze toestemming betrekking heeft op [minderjarige1] . De vader komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter over [minderjarige1] ongedaan maakt.
4.2
De GI wil dat de beslissing in stand blijft.
4.3
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift
  • het verweerschrift van de GI
  • een brief van 3 oktober 2025 van de GI met producties
  • een brief van 6 oktober 2025 van mr. Rietjens met producties
  • een bericht van 15 oktober 2025 van mr. Rietjens met een productie.
4.4
De mondelinge behandeling bij het hof was op 16 oktober 2025. Deze vond tegelijkertijd plaats met de mondelinge behandeling in de zaak met de nummers 200.344.643, 200.348.794, 200.348.920, 200.348.799, 200.349.272 en 200.355.624. Aanwezig waren:
  • de vader met zijn advocaat
  • twee vertegenwoordigers van de GI
  • de moeder met haar advocaat
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (de raad) als adviseur

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1
Als een medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar noodzakelijk is om ernstig gevaar voor zijn gezondheid af te wenden en de ouder die het gezag heeft zijn toestemming daarvoor weigert, kan deze toestemming op verzoek van de GI worden vervangen door die van de kinderrechter. [1]
Het oordeel van het hof
5.2
[minderjarige1] krijgt psychomotorische therapie (PMT). Volgens de GI moet [minderjarige1] na afronding van de PMT traumatherapie volgen. De traumatherapie zal worden gegeven door dezelfde therapeut die PMT geeft. Als [minderjarige1] zover is, kan deze therapeut direct – aansluitend aan de PMT – starten met de traumatherapie, aldus de GI. De vader meent dat eerst de uitkomst van de PMT moet worden afgewacht, voordat een beslissing kan worden genomen over een eventuele andere behandeling. Volgens de vader moet stap voor stap getoetst worden of een medische behandeling wel of niet noodzakelijk is.
Met de vader is het hof van oordeel dat het verzoek van de GI om vervangende toestemming voor traumabehandeling en het persoonlijkheidsonderzoek voorbarig is. Volgens de GI ziet de therapeut tijdens de PMT kleine stapjes vooruitgang bij [minderjarige1] , maar zal het langere tijd duren voordat [minderjarige1] daadwerkelijk toe is aan traumabehandeling. Het hof overweegt dat op dit moment onduidelijk is wanneer [minderjarige1] toe is aan traumatherapie. De GI heeft de zorg dat het telkens opnieuw vragen van toestemming bij de vader voor stagnatie kan zorgen in de behandeling, maar dat is naar het oordeel van het hof geen reden om vervangende toestemming te geven. Het gaat om de vraag of de medische behandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van [minderjarige1] af te wenden. Het hof is van oordeel dat dit niet is gebleken uit te stukken of wat op de mondelinge behandeling is verteld. Daarbij acht het hof het van belang dat de vader, zowel in zijn beroepschrift als op de mondelinge behandeling, heeft toegezegd dat als uit de PMT blijkt dat [minderjarige1] traumabehandeling nodig heeft de vader alsnog hiervoor toestemming zal geven.
5.3
Het hof zal de beslissing van de rechtbank om vervangende toestemming te geven voor de traumabehandelingen door GGZ en het persoonlijkheidsonderzoek van [minderjarige1] ongedaan maken (vernietigen).
De beslissing
Het hof:
vernietigt onderdeel 6.1 van de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 10 juli 2025 voor zover deze [minderjarige1] betreft en
wijst het verzoek van de GI tot vervangende toestemming voor de medische behandeling van [minderjarige1] inhoudende de traumabehandeling door GGZ en het persoonlijkheidsonderzoek alsnog af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K. Mans, J.H. Lieber en K.A.M. van Os-ten Have en is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2025.

Voetnoten

1.artikel 1:265h lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)