De rechtbank Gelderland had vervangende toestemming verleend voor traumabehandelingen door GGZ en persoonlijkheidsonderzoeken van het NIFP bij de minderjarige [minderjarige1]. De vader, die samen met de moeder het gezag heeft, kwam hiertegen in hoger beroep. Hij betoogde dat eerst de uitkomst van de psychomotorische therapie (PMT) moest worden afgewacht voordat verdere behandeling werd gestart.
Het hof oordeelde dat het verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) voor vervangende toestemming voor traumabehandeling en persoonlijkheidsonderzoek voorbarig was. De GI stelde dat traumatherapie aansluitend aan PMT zou volgen, maar het hof vond onvoldoende bewijs dat de medische behandeling noodzakelijk was om ernstig gevaar voor de gezondheid van de minderjarige af te wenden.
Het hof hechtte waarde aan de toezegging van de vader dat hij toestemming zal geven voor traumabehandeling indien PMT dit noodzakelijk maakt. Daarom vernietigde het hof het onderdeel van de beschikking dat vervangende toestemming gaf en wees het verzoek van de GI af. De beschikking werd uitgesproken door drie rechters op 20 november 2025.