ECLI:NL:GHARL:2025:7313

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
200.359.516/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid hoger beroep inzake de moeder en de vader

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 20 november 2025 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van de moeder in haar hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland. De moeder, vertegenwoordigd door haar advocaat mr. L.C. de Jong, stelde dat zij tijdig hoger beroep had ingesteld. Het beroepschrift was volgens haar op 24 september 2025 ingediend, terwijl de griffie aangaf dat dit op 25 september 2025 was gebeurd. De moeder had het beroepschrift op 23 september 2025 meegegeven aan een koerier, die het op 24 september 2025 bij de goederenontvangst van het Paleis van Justitie had afgeleverd. Het hof heeft vastgesteld dat het beroepschrift niet bij de Centrale Balie was ingediend, zoals voorgeschreven, maar bij de goederenontvangst. Desondanks heeft het hof, op basis van de verklaringen van de koeriers, geoordeeld dat het beroepschrift op 24 september 2025 als tijdig ingediend kan worden beschouwd. Het hof heeft de moeder daarom ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep en verdere beslissingen aangehouden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.359.516
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 586588)
beschikking van 20 november 2025
inzake
[verzoekster] ,
wonende in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. L.C. de Jong,
en
[verweerder],
wonende in [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. A.M.E. Derks.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 juni 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- een beroepschrift met producties;
- een brief van mr. L.C. de Jong van 29 september 2025;
- een journaalbericht van mr. Derks van 17 oktober 2025 met productie;
- een journaalbericht van mr. De Jong van 3 november 2025 met productie.
2.2
De mondelinge behandeling, uitsluitend ten aanzien van de ontvankelijkheid van de moeder in hoger beroep, heeft op 12 november 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
-de moeder in persoon, bijgestaan door haar advocaat;
-de advocaat van de vader.

3.De ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.1
Aan de orde is de vraag of de moeder tijdig hoger beroep heeft ingesteld. Op grond van het bepaalde in artikel 806 lid 1 onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep ingesteld te worden. Dat is in deze zaak uiterlijk op 24 september 2025. Volgens de stempel van de griffie van het gerechtshof is het beroepschrift op 25 september 2025 ingediend.
3.2
De moeder stelt dat haar beroepschrift op 24 september 2025 is ingediend en dat zij dus op tijd hoger beroep heeft ingesteld. Haar advocaat heeft het beroepschrift op 23 september 2025 rond 12:30 uur meegegeven aan een koerier van AenD Post, die dit beroepschrift op woensdag 24 september 2025 bij het hof heeft afgeleverd. Er is een verklaring van de koeriers [naam1] en [naam2] van 21 oktober 2025 overgelegd. Daaruit blijkt dat [naam1] op dinsdag 23 september 2025 rond het middaguur een doos met stukken in deze zaak heeft opgehaald bij Roest Crollius en de Jong advocaten in Woerden en dat [naam2] op woensdag 24 september 2025 die doos samen met een aantal andere stukken heeft afgegeven bij de goederenontvangst van het Paleis van Justitie. Volgens de koerier is dit de gebruikelijke gang van zaken en wordt er nooit een bewijs van ontvangst afgegeven.
3.3.
Het hof constateert dat het beroepschrift niet, zoals in het procesreglement onder artikel 1.1.9 is voorgeschreven, bij de Centrale Balie, die zich aan de voorkant bij de ingang van het Paleis van Justitie bevindt, is ingediend, maar bij de goederenontvangst die zich aan de achterkant daarvan bevindt. Bij de Centrale Balie wordt altijd een stempel met de datum voor ontvangst op de stukken gezet. Gelet op de verklaring van de koeriers, die zij onder ede willen bevestigen, gaat het hof in dit geval ervan uit dat het beroepschrift op 24 september 2025 is afgeleverd bij de goederenontvangst van het Paleis van Justitie en daarmee geacht wordt op dat moment en dus tijdig te zijn ingediend bij de griffie van het hof. Het hof benadrukt dat dit niet afdoet aan de regel dat een beroepschrift moet worden ingediend bij de Centrale Balie.
3.4.
De slotsom is dat de moeder kan worden ontvangen in haar hoger beroep. Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

4.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
verklaart de moeder ontvankelijk in haar hoger beroep;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, R. Prakke-Nieuwenhuizen en
M.L. van der Bel , bijgestaan door F.E. Knoppert als griffier, en is op 20 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.