De minderjarige, geboren in 2011, stond sinds 23 oktober 2024 onder toezicht en was met machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst bij de vader. Een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot uithuisplaatsing in een pleeggezin werd op 19 maart 2025 door de kinderrechter afgewezen. De GI diende op 4 april 2025 een nieuw verzoek in, dat op 12 mei 2025 werd toegewezen.
De moeder en vader gingen in hoger beroep tegen deze beslissing. Het hof voerde een rechtmatigheidstoets uit op basis van artikel 8 EVRMPro, het recht op gezinsleven. Het hof oordeelde dat de machtiging van 12 mei 2025 onterecht was verleend omdat de omstandigheden sinds de eerdere afwijzing niet zodanig waren gewijzigd dat een nieuwe machtiging gerechtvaardigd was.
Het rapport van 20 maart 2025, waarop de GI zich beroept, bevatte geen nieuwe informatie die de eerdere beslissing zou kunnen wijzigen. De machtiging van 23 oktober 2024 geldt in principe weer, maar is vervallen omdat deze meer dan drie maanden niet is uitgevoerd, waardoor de minderjarige terug moet naar de moeder, die het gezag heeft.
Het zelfstandige verzoek van de moeder om het hoofdverblijf van de minderjarige bij haar te bepalen, werd afgewezen omdat dit niet in deze procedure kan worden behandeld en zij reeds het gezag heeft. Het hof vernietigde de beschikking van 12 mei 2025 en wees het verzoek van de GI af.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin wordt vernietigd en afgewezen; de minderjarige moet terugkeren naar de moeder.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.358.059
zaaknummer rechtbank Gelderland 449979
beschikking van 20 november 2025
over de uithuisplaatsing van
[de minderjarige]( [de minderjarige] )
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: F. Ergec
en
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Gelderland, regio Midden(de GI)
die is gevestigd in Doetinchem
en
[belanghebbende](de vader)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: K.J.M. Slangen
1.Samenvatting
De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft [de minderjarige] onder toezicht gesteld en (voor de duur van de ondertoezichtstelling) een machtiging tot uithuis plaatsing verleend tot 23 oktober 2025. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2.De feiten
2.1.
[de minderjarige] is geboren [in] 2011. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] staat sinds de beslissing van de kinderrechter van 23 oktober 2024 onder toezicht van de GI. De kinderrechter heeft in diezelfde beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader (andere ouder met gezag) verleend met ingang van 23 oktober 2024 tot 23 oktober 2025. Sinds eind februari/begin maart 2025 woont [de minderjarige] weer bij de moeder. Een verzoek van de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlenen in een voorziening voor pleegzorg is door de kinderrechter op 19 maart 2025 afgewezen.
2.3.
[de minderjarige] woont sinds 20 mei 2025 in een pleeggezin.
3.De procedure bij de kinderrechter
3.1.
De GI heeft de kinderrechter op 4 april 2025 opnieuw verzocht [de minderjarige] uit huis te mogen plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, tot 23 oktober 2025.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van GI toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 12 mei 2025.
4.De procedure bij het hof
4.1.
De moederis het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt. Zij heeft daarnaast een zelfstandig verzoek ingediend en het hof verzocht te bepalen dat [de minderjarige] voortaan haar hoofdverblijf heeft bij de moeder.
4.2.
De vaderis het ook niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt.
4.3.
De GIwil dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
het beroepschrift
het verweerschrift van de GI
de stukken van de moeder ingediend op 8 oktober 2025
de brief van de raad van 20 augustus 2025, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting
4.5.
[de minderjarige] is uitgenodigd te vertellen wat zij vindt van de uithuisplaatsing. Zij heeft niet gereageerd.
4.6.
De zitting bij het hof was op 21 oktober 2025. Aanwezig waren:
de ouders met hun advocaten
twee vertegenwoordigers van de GI
Het hof heeft bijzondere toegang verleend aan J.M. Mulder, begeleider van de vader, verbonden aan het RIBW.
4.7.
Ter zitting heeft mr. Slangen een rapport van [naam1] van 20 maart 2025 overgelegd.
5.Het oordeel van het hof
Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een machtiging geven een kind uit huis te plaatsen. De kinderrechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding of voor onderzoek van het kind [1] .
Hoe oordeelt het hof?
5.2.
De machtiging voor de uithuisplaatsing in een voorziening van pleegzorg van [de minderjarige] liep tot 23 oktober 2025 en is inmiddels dus al verlopen. Toch moet het hof nog toetsen of de machtiging wel mocht worden gegeven. Deze toets wordt een rechtmatigheidstoets genoemd en is gebaseerd op artikel 8 vanPro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. In dat artikel staat het recht op eerbiediging van het gezinsleven.
5.3.
Het hof is van oordeel dat de kinderrechter geen machtiging tot uithuisplaatsing aan de GI had mogen verlenen. De GI heeft aanvankelijk op 11 maart 2025 de kinderrechter verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin te verlenen. Dat verzoek is door de kinderrechter op 19 maart 2025 afgewezen in een uitvoerig gemotiveerde beschikking. Het hof is het met de ouders eens dat de omstandigheden daarna niet zodanig zijn gewijzigd dat een nieuw verzoek, ingediend op 4 april 2025, kon worden toegewezen (op 12 mei 2025). Het hof overweegt daartoe het volgende.
5.4.
De kinderrechter heeft in de beschikking van 19 maart 2025 de door de GI geuite zorgen over de situatie bij de vader besproken. Deze situatie was niet zodanig dat het in het belang van [de minderjarige] was dat zij niet bij haar vader en/of moeder zou kunnen wonen. De GI is van mening dat, nu het rapport (eindverslag) van [naam1] van 20 maart 2025 voorhanden is, de situatie anders (gewijzigd) is. Dit eindverslag is één dag na het afwijzen van het verzoek tot het verlenen van de machtiging tot uithuisplaatsing op 19 maart 2025 beschikbaar geworden. Echter, in deze rapportage staat geen andere informatie dan waarover de kinderrechter op 19 maart 2025 (mondeling) al beschikte. Daar is ook de beslissing op gebaseerd dat [de minderjarige] niet in een pleeggezin hoefde te worden geplaatst. De rapportage kon daarom op zichzelf en zonder nadere informatie en toelichting niet dienen ter onderbouwing voor een nieuw verzoek tot uithuisplaatsing op grond van gewijzigde omstandigheden, ingediend op 4 april 2025. Ook op 23 april 2025, de dag van de zitting waarop het nieuwe verzoek is behandeld, is onvoldoende gebleken van een (relevante) wijziging van omstandigheden. De beslissing van de kinderrechter zal daarom ongedaan worden gemaakt (worden vernietigd).
5.5.
Het gevolg hiervan is dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader (verleend in de beschikking van de kinderrechter van 23 oktober 2024) in beginsel weer geldt (tot 23 oktober 2025). Omdat deze echter gedurende (meer dan) 3 maanden niet ten uitvoer is gelegd, is deze komen te vervallen. Dat betekent dat [de minderjarige] weer terug moet naar de moeder, de ouder met het gezag.
5.6.
Wat betreft het (zelfstandig) verzoek van de moeder te bepalen dat [de minderjarige] voortaan haar hoofdverblijf heeft bij de moeder overweegt het hof dat dit verzoek niet in deze procedure kan worden verzocht. Daarbij komt dat de moeder alleen het gezag heeft over [de minderjarige] , zodat er ook geen belang is bij dit verzoek. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.
5.7.
Het hof zal de bestreden beschikking van 12 mei 2025 vernietigen en het verzoek van de GI, ingediend bij de kinderrechter op 4 april 2025, (alsnog) afwijzen.
6.De beslissing
Het hof:
6.1.
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 12 mei 2025 over de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening van pleegzorg met ingang van de datum van deze beschikking en beslist:
6.2.
wijst het verzoek van de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlenen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 12 mei 2025 alsnog af;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, R. Feunekes en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is op 20 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.