In deze civiele procedure stond de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van vier minderjarige kinderen centraal, evenals de vaststelling van een definitieve zorgregeling tussen de ouders en de kinderen. De kinderen kampen met ernstige problematiek, waaronder hechtingsproblemen en traumagerelateerde klachten, die mede voortkomen uit de slechte relatie tussen de ouders en gebrekkige opvoedvaardigheden.
Het hof bevestigde de noodzaak van de uithuisplaatsing en bekrachtigde de eerdere beschikking van de rechtbank tot verlenging hiervan. De zorgregeling, die voorziet in wekelijkse fysieke, begeleide omgang van anderhalf uur met één ouder en aansluitend een videobelcontact met de andere ouder, werd als voorlopig vastgesteld en nu definitief gemaakt. De gecertificeerde instelling had verzocht de zorgregeling te verminderen om ruimte te bieden voor therapie, maar het hof vond dit niet noodzakelijk en wees het verzoek af.
De ouders hadden wisselende medewerking aan het onderzoek naar de thuissituatie gegeven. De moeder toonde bereidheid tot medewerking aan een NIFP-onderzoek, terwijl de vader dit nog niet had gedaan. Het hof achtte het essentieel dat dit onderzoek plaatsvindt alvorens de kinderen weer thuis kunnen wonen. De zorgregeling werd gehandhaafd om continuïteit en stabiliteit voor de kinderen te waarborgen, waarbij het belang van de kinderen voorop stond.