ECLI:NL:GHARL:2025:7329

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
200.353.323/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:157 lid 1 BWArt. 1:401 lid 1 BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep partneralimentatie na echtscheiding en beoordeling behoeftigheid vrouw

Partijen zijn in 1998 gehuwd en in 2015 gescheiden, waarbij de man partneralimentatie aan de vrouw moest betalen. In 2021 stelde de rechtbank de alimentatie op nihil, wat onherroepelijk werd door een beroepsfout van de vrouw.

De vrouw vorderde vervolgens partneralimentatie en overleg van financiële stukken, terwijl de man de alimentatie wilde limiteren. De rechtbank wees beide verzoeken af, waarna beide partijen hoger beroep instelden.

Het hof oordeelt dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden door de verslechterde gezondheid van de vrouw. Echter heeft de vrouw onvoldoende inzicht gegeven in haar financiële situatie en behoeftigheid onvoldoende onderbouwd. De vrouw wordt geacht in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien.

Het verzoek tot verlenging van de alimentatie tot AOW-leeftijd en het verzoek tot overleg van financiële stukken worden niet behandeld vanwege de afwijzing van het hoofdbeginsel. Ook het verzoek van de man om de alimentatie te limiteren wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en compenseert de kosten in hoger beroep.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vrouw om partneralimentatie af wegens onvoldoende onderbouwde behoeftigheid en wijst ook het verzoek van de man om limitering van de alimentatie af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.353.323
(zaaknummer rechtbank Gelderland 434972)
beschikking van 20 november 2025
in de zaak van
[appellante],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. H.J.R.M. Boersma.
en
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: voorheen T.C.P. Christoph, thans mr. K.G.I.M. Schröder.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 20 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder ook te noemen: de bestreden beschikking).

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 8 april 2025;
  • het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep;
  • het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties;
  • een journaalbericht van mr. Boersma van 26 september 2025 met een brief van mr. Boersma van dezelfde datum en een productie;
  • een journaalbericht van mr. Schröder van 3 oktober 2025 met een brief van mr. Schröder van dezelfde datum en producties.
2.2
De zitting was op 14 oktober 2025. Daarbij waren beide partijen met hun advocaten aanwezig.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn [in] 1998 met elkaar gehuwd. De rechtbank heeft op
21 januari 2015 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Op 2 maart 2015 is het huwelijk van partijen ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
3.2
In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de man vanaf 2 maart 2015 € 2.254,- per maand aan de vrouw zal voldoen voor haar levensonderhoud (partneralimentatie).
3.3
Bij beschikking van 15 september 2021 heeft de rechtbank de beschikking van
21 januari 2015 ten aanzien van de partneralimentatie op verzoek van de man gewijzigd en daarbij de partneralimentatie op nihil gesteld. Daarbij heeft de rechtbank het tegenverzoek van de vrouw om de partneralimentatie te verhogen, afgewezen.
3.4
De vrouw heeft haar toenmalige advocaat mr. [naam] (verder: [naam] ) opdracht gegeven om hoger beroep in te stellen van de beschikking van 15 september 2021. Dat hoger beroep is niet tijdig ingesteld, waardoor de beschikking van 15 september 2021 onherroepelijk is geworden. [naam] heeft deze beroepsfout erkend.
3.5
De vrouw heeft [naam] gedagvaard voor de rechtbank Midden-Nederland. Zij wilde dat voor recht werd verklaard dat [naam] aansprakelijk is voor de door haar door de beroepsfout geleden schade en zij wilde dat [naam] haar schade vergoedde. De rechtbank heeft op 24 januari 2024 vonnis gewezen. De rechtbank heeft in dat vonnis de vorderingen van de vrouw toegewezen tot een bedrag van € 8.180,55 te vermeerderen met wettelijke rente en voor recht verklaard dat [naam] is tekortgekomen in de nakoming van de met de vrouw gesloten overeenkomst van opdracht en aansprakelijk is voor de daardoor door de vrouw geleden schade.
3.6
De vrouw heeft van het vonnis van 24 januari 2024 hoger beroep ingesteld. Dit hof heeft op 17 juni 2025 arrest gewezen. Het hof heeft daarbij het vonnis van 24 januari 2024 gedeeltelijk vernietigd en opnieuw rechtdoende [naam] veroordeeld om € 28.500,- aan de vrouw te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over de maandelijkse vervaltermijn van de misgelopen partneralimentatie over de periode 15 september 2021 tot en met 15 april 2023.
3.7
De vrouw heeft de rechtbank op 8 april 2024 verzocht om:
- de man te veroordelen om over te leggen zijn aangiften en aanslagen (naar het hof
begrijpt) inkomstenbelasting/premie volksverzekering over de jaren 2022 en 2023 en
drie recente loonstroken;
- om aan de man op te leggen een door hem aan haar te betalen partneralimentatie van
€ 6.356,50 dan wel € 5.529,20 dan wel € 3.825,27 bruto per maand met ingang van
24 juli 2023, dan wel 13 oktober 2023 dan wel 13 maart 2024, althans een onderhoudsverplichting op te leggen van een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als de rechtbank juist acht,
kosten rechtens.
3.8
De man heeft daarop de rechtbank verzocht om de partneralimentatie te limiteren.
3.9
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank die verzoeken van partijen afgewezen.

4.Het geschil

4.1
De vrouw is het niet eens met de bestreden beschikking en komt daarvan in hoger beroep. De vrouw verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad:
- die beschikking te vernietigen voor zover de rechtbank de verzoeken van de vrouw heeft afgewezen;
- de verzoeken van de vrouw in eerste aanleg te behandelen en toe te wijzen zoals door
de vrouw in eerste aanleg verzocht;
- aanvullend te bepalen dat de verplichting van de man om aan de vrouw
partneralimentatie te betalen niet zal eindigen na ommekomst van de periode van 12
jaar na echtscheiding en voortduurt tot de vrouw de AOW-gerechtigde leeftijd zal
hebben bereikt,
kosten rechtens.
4.2
Ook de man is het niet eens met de bestreden beschikking en komt in incidenteel hoger beroep. De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans dat hoger beroep af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen. In zijn incidenteel hoger beroep verzoek de man de bestreden beschikking te vernietigen voor zover de rechtbank daarin het verzoek de duur van de partneralimentatie te limiteren tot 15 september 2021 heeft afgewezen en opnieuw beschikkende te bepalen dat de duur van de partneralimentatie wordt gelimiteerd tot 15 september 2021, dan wel een datum als het hof juist acht.
4.3
De vrouw voert verweer en zij verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn incidenteel hoger beroep, dan wel zijn vordering af te wijzen, kosten rechtens.

5.De overwegingen voor de beslissing

Procedureel
5.1
De vrouw stelt in haar eerste grief en tweede grief, kort gezegd, dat de rechtbank zonder inhoudelijke bespreking en zonder daarover een oordeel te geven, het verzoek van de vrouw om een alimentatieverplichting op te leggen heeft afgewezen. In haar derde grief stelt de vrouw dat de rechtbank haar ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om de beschikking van 24 januari 2024 alsnog in te brengen in de procedure. In grief 4 stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom het niet overleggen van de beschikking van 24 januari 2024 tot gevolg heeft dat de rechtbank aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek van de vrouw niet toekomt.
De man betwist dat gemotiveerd.
5.2
Ten aanzien van deze stellingen van de vrouw dat zij niet op de hoogte was van de zitting bij de rechtbank, overweegt het hof dat het hoger beroep er ook toe dient om wat bij de rechtbank is vergeten of is misgegaan, te herstellen. Nu de vrouw in hoger beroep in de gelegenheid is gesteld om haar standpunt toe te lichten, heeft zij geen belang bij bespreking van deze onderdelen van haar grieven.
Inhoudelijk
Wijziging partneralimentatie
5.3
Voordat overgegaan kan worden tot de inhoudelijke beoordeling van de door partijen aangevoerde grieven moet worden beoordeeld of zich een relevante wijziging heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). In de beschikking van 15 september 2021 overweegt de rechtbank dat de vrouw last heeft van gezondheidsklachten maar dat de vrouw bezig is een baan te vinden zodat zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De vrouw stelt in de onderhavige procedure dat die gezondheidsklachten zijn verergerd en dat zij daardoor niet meer kan werken. Zij onderbouwt die stelling door het overleggen van twee rapporten naar aanleiding van onderzoek naar haar arbeidsmogelijkheden. Naar het oordeel van het hof is daarmee voldoende komen vast te staan dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en draagkracht rechtvaardigt.
Behoeftigheid vrouw
5.4
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:157 lid 1 BW Pro heeft een gewezen echtgenoot recht op een uitkering tot levensonderhoud, indien deze niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven. De werkelijke of fictieve (dit is: in redelijkheid te verwerven) inkomsten van de onderhoudsgerechtigde verminderen de behoefte aan een bijdrage van de onderhoudsplichtige. Dit zal leiden tot een nihilstelling of vermindering van de alimentatie op grond van de omstandigheid dat de onderhoudsgerechtigde geheel of gedeeltelijk in eigen levensonderhoud voorziet of kan voorzien.
5.5
De vrouw stelt zij geen inkomen heeft om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Uit medische keuringen is gebleken dat zij niet in staat kan worden geacht om in haar behoefte te voorzien. Inmiddels is duidelijk en objectiveerbaar vastgesteld dat de vrouw lijdt aan het ASIA syndroom als gevolg waarvan de vrouw volledig beperkt is in het benutten van arbeidsmogelijkheden, aldus de vrouw.
De man betwist dat de vrouw behoeftig is. De vrouw toont geen enkel inzicht in haar financiële situatie en het is niet duidelijk geworden in hoeverre de vrouw behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage. Bij gebrek aan informatie over haar inkomen en vermogen dient het verzoek van de vrouw te worden afgewezen. Daarnaast heeft de vrouw zich onvoldoende ingespannen om in haar eigen levensonderhoud te voorzien, aldus de man.
5.6
Het hof overweegt als volgt. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende aangevoerd met betrekking tot haar verdiencapaciteit om aan te nemen dat zij behoeftig is. Het hof merkt hierbij op dat ook (toekomstig) vermogen van invloed kan zijn op de behoefte en behoeftigheid. De stel- en bewijslast ten aanzien van de behoefte en behoeftigheid ligt ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering bij de vrouw, nu zij degene is die aanspraak maakt op een uitkering tot levensonderhoud ten laste van de man als bedoeld in artikel 1:157 lid 1 BW Pro. De vrouw heeft onvoldoende inzage gegeven in haar inkomsten. Hoewel de vrouw op de zitting heeft gezegd dat zij aangifte inkomstenbelasting doet, heeft zij geen aangiftes en aanslagen inkomstenbelasting overgelegd. Daardoor is onduidelijk gebleven wat haar inkomsten zijn en of en hoeveel vermogen zij heeft. De vrouw stelt dat zij genoodzaakt wordt om geld te lenen van de kinderen van partijen, maar zij heeft geen rekeningafschriften overgelegd waaruit dit blijkt. Ook overeenkomsten van geldlening en tussen haar en de kinderen ontbreken in het dossier waarover het hof beschikt. Daar staat tegenover dat de man op de zitting onbetwist heeft gezegd dat de kinderen van partijen onvoldoende middelen hebben om geld te lenen aan de vrouw: de zoon van partijen studeert nog en de dochter van partijen heeft hoge woonlasten en is zwanger van haar tweede kind. Uit de in het dossier aanwezige financiële gegevens blijkt wel dat de vrouw recht heeft op leenbijstand. Op de zitting heeft de vrouw gezegd dat zij daar op advies van de kinderen van partijen niet voor heeft gekozen.
Op grond van het vorenstaande heeft de vrouw de stelling dat zij behoefte heeft aan een bijdrage van de man, in het licht van het verweer van de man, onvoldoende onderbouwd. Daarom moet zij worden geacht geheel in haar eigen behoefte te kunnen voorzien. Dit betekent dat haar verzoek om een bijdrage van de man wordt afgewezen.
Verlengen termijn alimentatie / overleggen van stukken
5.7
De vrouw verzoekt de termijn van de partneralimentatie te verlengen tot aan de datum waarop zij haar AOW-uitkering zal ontvangen en om de man te veroordelen nadere stukken omtrent zijn draagkracht in het geding te brengen. Nu het hof het verzoek van de vrouw om een bijdrage van de man zal afwijzen, komt het hof aan de beoordeling van deze verzoeken niet toe.
Limitering onderhoudsverplichting (incidenteel hoger beroep)
5.8
De man verzoekt de alimentatieverplichting te limiteren tot 15 september 2021 dan wel een datum als het hof juist acht. De man stelt dat de vrouw de afgelopen vier jaar al in haar eigen levensonderhoud heeft voorzien en anders had de vrouw voorzieningen moeten treffen om bij ziekte verzekerd te zijn tegen arbeidsongeschiktheid. De man hoopt dat door limitering van de alimentatieverplichting de juridische procedures zullen stoppen.
De vrouw betwist dat gemotiveerd.
5.9
Het hof overweegt dat de gevolgen van limitering vergaand zijn, nu een beslissing daartoe het recht op levensonderhoud na afloop van de vastgestelde termijn definitief doet eindigen. Het hof is van oordeel dat, gelet op de zware eisen die worden gesteld aan een dergelijke definitieve beëindiging van het recht op partneralimentatie, door de man onvoldoende is gesteld om daartoe over te gaan. De stelling van de man dat de vrouw kennelijk de afgelopen vier jaar al in haar eigen levensonderhoud heeft voorzien, is daartoe ontoereikend. Het hof zal het verzoek van de man om de duur van de onderhoudsverplichting in tijd te limiteren daarom afwijzen.

6.De slotsom

6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven in het principaal en het incidenteel hoger beroep. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.
6.2
Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van
20 januari 2025;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, R. Feunekes en I.G.M.T. Weijers-van der Marck en is op 20 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.