De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland verlengde de ondertoezichtstelling van de minderjarige tot 31 mei 2026 en de uithuisplaatsing tot 30 november 2025. De moeder ging hiertegen in hoger beroep en verzocht om afwijzing of verkorting van deze termijnen, alsmede om gefaseerde uitbreiding van contact met het kind.
Het hof heeft het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing voor het resterende deel afgewezen omdat dit niet aan de orde was in hoger beroep. Ook verklaarde het hof het verzoek tot vaststelling van een contactregeling niet-ontvankelijk, omdat dit niet bij de kinderrechter was ingediend.
Het hof oordeelt dat de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige nog steeds aanwezig is en dat de moeder onvoldoende meewerkt aan hulpverlening. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing worden daarom voor de gevraagde duur verlengd. De moeder voldoet niet aan de voorwaarden voor thuisplaatsing, mede door het ontkennen van haar psychische problematiek en het ontbreken van een hulpvraag.
De uithuisplaatsing blijft ook noodzakelijk voor onderzoek naar de emotionele veiligheid van het kind in de thuissituatie. De beschikking van de kinderrechter wordt bekrachtigd en het overige verzoek wordt afgewezen.