Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2025:7453

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
200.358.088
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 onder a en b BWArt. 1:260 lid 1 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BWArt. 362 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarige bevestigd door hof

De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland verlengde de ondertoezichtstelling van de minderjarige tot 31 mei 2026 en de uithuisplaatsing tot 30 november 2025. De moeder ging hiertegen in hoger beroep en verzocht om afwijzing of verkorting van deze termijnen, alsmede om gefaseerde uitbreiding van contact met het kind.

Het hof heeft het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing voor het resterende deel afgewezen omdat dit niet aan de orde was in hoger beroep. Ook verklaarde het hof het verzoek tot vaststelling van een contactregeling niet-ontvankelijk, omdat dit niet bij de kinderrechter was ingediend.

Het hof oordeelt dat de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige nog steeds aanwezig is en dat de moeder onvoldoende meewerkt aan hulpverlening. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing worden daarom voor de gevraagde duur verlengd. De moeder voldoet niet aan de voorwaarden voor thuisplaatsing, mede door het ontkennen van haar psychische problematiek en het ontbreken van een hulpvraag.

De uithuisplaatsing blijft ook noodzakelijk voor onderzoek naar de emotionele veiligheid van het kind in de thuissituatie. De beschikking van de kinderrechter wordt bekrachtigd en het overige verzoek wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de ondertoezichtstelling tot mei 2026 en de uithuisplaatsing tot november 2025.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.358.088
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 590843
beschikking van 25 november 2025
over de uithuisplaatsing van [minderjarige]
in de zaak van
[de moeder](de moeder)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. G.G. Kempenaars,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland(de GI)
die is gevestigd in Utrecht,
en
[de vader](de vader)
die woont in [woonplaats] .

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 31 mei 2026 en de uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd tot 30 november 2025. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben samen één kind, [minderjarige] , geboren [in] 2014.
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] is in september 2025 geplaatst in een gezinshuis op een voor de moeder geheime locatie.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft de kinderrechter verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen met een jaar en om [minderjarige] voor nog een periode van een jaar uit huis te mogen plaatsen.
3.2.
De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling verlengd tot 31 mei 2026 en de machtiging tot uithuisplaatsing tot 30 november 2025. De kinderrechter heeft bepaald dat later in het jaar nog een zitting wordt gehouden om te beslissen over de rest van de duur van de uithuisplaatsing die door de GI is verzocht.
3.3.
Die beslissing is mondeling uitgesproken op 20 mei 2025 en op schrift gesteld op
2 juni 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moederis het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt. Zij wil dat het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen, of in elk geval voor een kortere periode wordt afgegeven. Ook wil de moeder dat het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen of voor een kortere periode wordt gegeven onder de voorwaarde dat wordt toegewerkt naar thuisplaatsing bij de moeder. Verder wil zij dat het hof bepaalt dat de GI het contact tussen de moeder en [minderjarige] gefaseerd uitbreidt, in samenwerking met de betrokken jeugdhulpaanbieder.
4.2.
De GIwil dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift
  • het verweerschrift van de GI
  • een journaalbericht van mr. Kempenaars met productie.
4.4.
[minderjarige] is uitgenodigd te vertellen wat hij vindt van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Hij heeft van die uitnodiging geen gebruik gemaakt.
4.5.
De zitting bij het hof was op 14 oktober 2025. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat
  • twee vertegenwoordigers van de GI
  • de vader

5.Het oordeel van het hof

Procedureel
5.1.
Het hof begrijpt dat de moeder verzoekt te bepalen dat het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing voor de volledige duur wordt afgewezen. Maar de kinderrechter heeft het verzoek tot verlenging van de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing slechts voor een deel van de verzochte termijn toegewezen en voor het overige deel aangehouden. Het resterende deel van de termijn ligt dus niet voor in hoger beroep. Het hof zal het verzoek van de moeder voor dat resterende gedeelte afwijzen.
5.2.
Ten aanzien van het verzoek van de moeder om een opbouw van het contact tussen haar en [minderjarige] vast te stellen overweegt het hof als volgt. De moeder heeft bij de kinderrechter geen verzoek tot vaststelling van een contactregeling gedaan. Gelet op artikel 362 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan zij niet voor het eerst in hoger beroep een zelfstandig verzoek doen. Het hof zal de moeder daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek voor zover dat ziet op de contactregeling. Dat betekent dat het hof het verzoek van de moeder in zoverre niet inhoudelijk kan behandelen.
Wat staat in de wet
5.3.
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening. Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen [1] . Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling. De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling verlengen. Dat mag steeds voor maximaal een jaar. [2]
5.4.
De kinderrechter kan op verzoek van de GI of de raad een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De kinderrechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen [3] . De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken [4] .
Het oordeel van het hof
5.5.
Het hof is van oordeel dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar moet worden verlengd en dat de machtiging tot uithuisplaatsing moet worden verlengd tot 30 november 2025. De beslissingen van de kinderrechter zullen in stand blijven (worden bekrachtigd).
Ten aanzien van de ondertoezichtstelling
5.6.
Het hof is net als de kinderrechter van oordeel dat voldaan is aan de vereisten voor een verlenging van de ondertoezichtstelling. Er is nog steeds sprake van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van [minderjarige] die niet in het vrijwillig kader kan worden weggenomen. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog steeds niet gehaald. De opvoedsituatie bij de moeder thuis is voor [minderjarige] in emotioneel opzicht nog altijd niet veilig. Tijdens de omgangsmomenten laat de moeder ook vreemd gedrag zien. Zo kijkt ze te weinig naar [minderjarige] en staart ze naar boven, lacht en praat in zichzelf of is veel bezig met de begeleidster van de omgang. Vanwege zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] is hij onlangs gestart met therapie gericht op hechting en trauma. Gebleken is dat de moeder nog steeds onvoldoende meewerkt aan de hulpverlening. De moeder ontkent dat bij haar sprake is van psychiatrische problematiek en zij vindt een persoonlijkheidsonderzoek en hulpverlening voor haarzelf niet nodig. Ook de therapie voor [minderjarige] vindt zij niet nodig en een te zwaar middel. Volgens de moeder heeft [minderjarige] geen therapie en begeleiding nodig.
5.7.
Vanwege de ernst van de zorgen rondom [minderjarige] en het niet of onvoldoende wegnemen daarvan, ziet het hof geen aanleiding om het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor een kortere duur dan een jaar toe te wijzen
Ten aanzien van de uithuisplaatsing
5.8.
De machtiging tot verlenging van de uithuisplaatsing is terecht gegeven omdat [minderjarige] nog niet thuis kan wonen. Het hof verwijst naar de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van [minderjarige] en die heeft geleid tot de uithuisplaatsing van [minderjarige] . In het kader van de ondertoezichtstelling zijn aan de moeder voorwaarden gesteld waaraan zij moet voldoen om ervoor te zorgen dat [minderjarige] weer thuis kan wonen. Aan deze voorwaarden voldoet de moeder tot nu toe niet. De eerste voorwaarde is dat de moeder haar psychische problemen onder controle heeft. Daarbij wordt van de moeder verwacht dat zij binnen twee weken een afspraak heeft gemaakt bij de huisarts voor een doorverwijzing naar de GGZ. Daarna dient de moeder zich zo spoedig mogelijk aan te melden voor onderzoek en/of behandeling bij de GGZ-instelling. De moeder stelt dat zij heeft voldaan aan de voorwaarde om naar de huisarts te gaan en een doorverwijzing te verkrijgen, maar dat zij vervolgens is afgewezen door de hulpverleningsinstantie. Ter onderbouwing overlegt de moeder slechts een brief ondertekend door een psychotherapeut/GZ-psycholoog van PsyMens, waarin staat dat zij de moeder geen passende hulp kunnen bieden. Onduidelijk is wat de hulpvraag van de moeder is geweest en waarom zij is afgewezen. Daarbij speelt een rol dat de moeder, ook tijdens de zitting bij het hof, ontkent dat zij een hulpvraag heeft en zegt dat zij geen hulp nodig heeft. Doordat de moeder haar problematiek ontkent en geen hulpvraag heeft, kan onvoldoende gewerkt worden aan een goede basis voor thuisplaatsing van [minderjarige] .
Daarnaast is de uithuisplaatsing nog nodig voor onderzoek dat door De Rading verricht gaat worden. Dat onderzoek is nodig om uit te zoeken of [minderjarige] op enig moment weer thuis kan wonen omdat er grote zorgen zijn over de emotionele veiligheid in de thuissituatie bij de moeder.

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 20 mei 2025 over de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] tot 30 november 2025;
6.2.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, I.G.M.T. Weijers-van der Marck en
S. Kuijpers, en is in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025.

Voetnoten

1.artikel 1:255 lid 1 onder Pro a en b BW
2.artikel 1:260 lid 1 BW Pro
3.artikel 1:265b lid 1 BW.
4.artikel 1:265c lid 2 BW.