ECLI:NL:GHARL:2025:7486

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
200.355.422
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening betaling voorschot stalling en verzorging paarden

Sinds 2011 staan paarden van geïntimeerde op de manege van appellante. Appellante vordert betaling voor stalling, verzorging en training van deze paarden, maar de rechtbank wees deze vordering af. In hoger beroep vraagt appellante een voorlopige voorziening tot betaling van een voorschot.

Het hof overweegt dat een voorlopige voorziening alleen kan worden toegewezen als er een dringend belang is dat de uitkomst van de hoofdzaak niet kan worden afgewacht. Appellante heeft onvoldoende gemotiveerd dat dit het geval is, aangezien zij al jaren de kosten draagt en niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit nu onhoudbaar is.

Ook is onduidelijk of en hoeveel vergoeding geïntimeerde aan appellante verschuldigd is, waardoor het voorschot niet eenvoudig kan worden vastgesteld. Bovendien kan appellante de verzorging staken en de paarden laten ophalen. Het hof wijst de vordering af en veroordeelt appellante tot betaling van de proceskosten van het incident.

De hoofdzaak wordt voortgezet in de bestaande stand en verdere beslissingen worden aangehouden. Tijdens de mondelinge behandeling spraken partijen af de paarden te verkopen en de opbrengst op een derdengeldenrekening te bewaren in afwachting van de hoofdzaak.

Uitkomst: De voorlopige voorziening tot betaling van een voorschot wordt afgewezen wegens onvoldoende dringend belang.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.355.422
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 434271)
arrest in het incident van 25 november 2025
in de zaak van
[appellante]
handelende onder de naam [naam1]
die woont in [woonplaats1]
hierna: [appellante]
advocaat: mr. J.S. van Daal
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats2]
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. T.J. van Veen

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

Naar aanleiding van het arrest van 7 oktober 2025 heeft op 16 oktober 2025 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Het hof heeft daarvan een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
Sinds 2011 staan door (onder meer) [geïntimeerde] gefokte en gekochte paarden op de manege van [appellante] . Volgens [appellante] is [geïntimeerde] haar geld verschuldigd voor het stallen, verzorgen en trainen van de paarden. [geïntimeerde] vindt dat hij [appellante] niets verschuldigd is, omdat tussen hen is afgesproken dat [appellante] een deel van de verkoopopbrengst van de paarden zou krijgen als de mogelijkheid zich zou aandienen om een paard voor een aantrekkelijk bedrag te verkopen.
2.2.
[appellante] heeft bij de rechtbank (onder meer) gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 193.054,08 voor de door [appellante] verleende diensten in de periode van 2019 tot en met 2024, te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen.
2.3.
[appellante] is in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis en heeft ook een incidentele vordering ingesteld op grond van artikel 223 Rv Pro. Zij vordert bij wijze van een voorlopige voorziening [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 20.000 als voorschot op de betaling vanwege de stalling, verzorging en training van de paarden over de periode van 1 januari 2025 tot 30 september 2025 en daarnaast een bedrag van € 1.190,50 per maand per paard met ingang van 1 oktober 2025.
2.4.
Het hof zal de gevorderde voorlopige voorziening afwijzen en licht dat hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Het juridisch kader
3.1.
Artikel 223 Rv Pro biedt partijen de mogelijkheid om in een aanhangige procedure (de hoofdzaak) te vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van de hoofdzaak. De incidentele vordering moet samenhangen met de hoofdzaak.
3.2.
Het karakter van de voorziening brengt met zich dat [appellante] een zodanig (dringend) belang bij de gevraagde voorziening moet hebben, dat van haar niet kan worden gevergd dat zij de afloop van de hoofdzaak afwacht. Bij een beslissing op de vordering moet het belang van [appellante] bij toewijzing van de vordering worden afgewogen tegen het belang van [geïntimeerde] om de afloop van de procedure af te wachten. Bij die belangenafweging moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken, waaronder de mate van aannemelijkheid van een toewijzing van de vordering in de hoofdzaak, de te verwachten duur van het geding en het eventuele restitutierisico. Als de gevorderde voorlopige voorziening ziet op een veroordeling tot betaling van een geldsom, zoals hier het geval is, is terughoudendheid op zijn plaats. Toewijzing is alleen gerechtvaardigd als het bestaan van een vordering (tot het beloop van het gevorderde voorschot) al voldoende vaststaat, dan wel op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld.
De standpunten van partijen
3.3.
Volgens [appellante] maakt zij al sinds 2011 aanzienlijke kosten voor de verzorging en stalling van de paarden van [geïntimeerde] , terwijl zij daarvoor geen betaling ontvangt. In ieder geval sinds de start van de procedure bij de rechtbank is het voor [geïntimeerde] bekend dat géén sprake is van een vriendendienst en dat [appellante] betaling voor de door haar geleverde diensten verlangt. Desondanks blijft [geïntimeerde] zijn paarden bij [appellante] stallen en laat hij zijn paarden door haar verzorgen en trainen. De kosten daarvan drukken op de bedrijfsvoering van [appellante] en kunnen niet langer door haar worden gedragen. [appellante] kan de verzorging van de paarden niet stopzetten zonder de dieren aan hun lot over te laten.
3.4.
[geïntimeerde] vindt onder meer dat de vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening vooruitloopt op de het oordeel in de hoofdzaak, terwijl nog geen grieven zijn geformuleerd en [geïntimeerde] daarop dus ook nog niet heeft kunnen reageren. Daarnaast voert [appellante] uitsluitend een financieel belang aan, terwijl niet gesteld of gebleken is dat als de vordering wordt afgewezen voor [appellante] onoverkomelijke financiële nadelen ontstaan. Tot slot kiest [appellante] er zelf voor om het verzorgen en beleren van de paarden voort te zetten.
De beoordeling door het hof
3.5.
[appellante] heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat zij een zodanig dringend belang heeft bij de gevorderde voorlopige voorziening dat de uitkomst van de hoofdzaak niet kan worden afgewacht. Al sinds 2011 staan paarden van [geïntimeerde] op de manege van [appellante] . Zij heeft sinds die tijd slechts af en toe een beperkte bijdrage van [geïntimeerde] gekregen voor de kosten van die paarden. Kennelijk is [appellante] tot nu toe altijd in staat geweest de overige kosten zelf te dragen. Zij heeft onvoldoende onderbouwd dat daar nu verandering in is gekomen. De enkele stelling van [appellante] dat de kosten op haar bedrijfsvoering drukken is daarvoor onvoldoende. Dat hebben ze immers al jaren gedaan. Partijen schetsen bovendien allebei een ander scenario van wat er tussen hen is afgesproken en bij deze stand van de procedure is nog onvoldoende duidelijk of [geïntimeerde] aan [appellante] een vergoeding is verschuldigd en hoe hoog die vergoeding dan zou moeten zijn. Dit kan op dit moment nog niet op eenvoudige wijze worden vastgesteld. [appellante] kan er daarnaast voor kiezen de werkzaamheden te beëindigen en [geïntimeerde] te sommeren zijn paarden bij haar op te halen. Daar komt tot slot nog bij dat [appellante] beslag heeft gelegd op het woonhuis van [geïntimeerde] , zodat aannemelijk is dat [appellante] zich daarop (deels) kan verhalen als de vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen. De belangenafweging valt om die redenen niet in het voordeel van [appellante] uit, zodat de gevorderde voorlopige voorziening vooruitlopend op de hoofdzaak niet kan worden toegewezen.
3.6.
Ten overvloede overweegt het hof dat op dit moment nog twee van [geïntimeerde] afkomstige paarden op de manege van [appellante] staan. Op de mondelinge behandeling is in het kader van het zoeken naar een oplossing gesproken over de verkoop van die paarden. Partijen waren het erover eens dat de paarden verkocht moeten worden en dat zij daarover – onder begeleiding van hun advocaten – overleg zouden voeren. Daarbij zou de opbrengst van de paarden op een derdengeldenrekening bewaard kunnen worden in afwachting van de uitkomst van de hoofdzaak. Bij de verkoop van de paarden blijven verdere stallings-, trainings- en verzorgingskosten bespaard.
De conclusie
3.7.
Het hof wijst de incidentele vordering af. Omdat [appellante] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de kosten van het incident veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
3.8.
De hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.

4.De beslissing

Het hof:
in het incident
4.1.
wijst de vordering af;
4.2.
veroordeelt [appellante] tot betaling van de proceskosten van het incident van [geïntimeerde] ter hoogte van € 1.214 aan salaris van zijn advocaat (1 procespunt x het toepasselijke tarief II);
4.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.4.
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;
4.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. D.M.I. De Waele, M. Schoemaker en C. Bakker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025.