ECLI:NL:GHARL:2025:7536

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
21-004540-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot benoeming deskundige en nader onderzoek in strafzaak tegen verdachte wegens poging doodslag op agenten

In deze strafzaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 21 november 2025 een tussenarrest gewezen in het hoger beroep van de verdachte, die eerder door de rechtbank Midden-Nederland was veroordeeld. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 4 oktober 2024, waarin hij werd beschuldigd van poging tot doodslag op twee agenten. Tijdens de zitting van 7 november 2025 heeft de verdediging verzocht om de benoeming van een deskundige die de verkeerssituatie en de handelingen van de verdachte zou moeten analyseren. Dit verzoek werd gedaan om te onderzoeken of de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van de agenten. De advocaat-generaal heeft zich echter tegen dit verzoek verzet, stellende dat de verdediging onvoldoende onderbouwing had gegeven voor de noodzaak van een deskundige. Het gerechtshof heeft het verzoek van de verdediging afgewezen, omdat het hof zich voldoende voorgelicht achtte op basis van het procesdossier. Daarnaast heeft de verdachte zelf een onderzoekwens geuit naar de door de politie geloste schoten tijdens zijn aanhouding, maar ook dit verzoek werd door het hof afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing. Het hof heeft besloten het onderzoek te heropenen en de advocaat-generaal op te dragen de camerabeelden te verstrekken, maar heeft de verzoeken van de verdediging en de verdachte afgewezen. De zaak zal op een later moment opnieuw worden behandeld.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004540-24
Uitspraakdatum: 21 november 2025
Tegenspraak
Tussenarrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 4 oktober 2024 met het parketnummer 16-100999-24 in de strafzaak tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1989 in [geboorteplaats] ,
op dit moment verblijvende in de penitentiaire inrichting [locatie] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit tussenarrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 7 november 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de schriftelijke standpunten van de raadsman en de advocaat-generaal voorafgaand aan de zitting en van de verdachte en advocaat-generaal in verband met nog bestaande onderzoekwensen.

De onderzoekwensen

Het verloop met betrekking tot de onderzoekwensen van de verdediging
Mr. Kloosterman heeft op 31 oktober 2024 een appelschriftuur ingediend bij het gerechtshof. Daarin heeft hij - op nader in die appelschriftuur aangevoerde gronden - het gerechtshof verzocht om benoeming van de onafhankelijke deskundige [naam] , werkzaam bij [adviesbureau] , voor het verrichten van nader onderzoek naar een drietal te beantwoorden vragen:
i. Door wie is de botsing tussen appellant en de verbalisanten veroorzaakt?ii. Heeft er tweemaal een botsing plaatsgevonden of is dit eenmaal geweest?iii. In hoeverre was er een aanmerkelijke kans op een dodelijke afloop, dan wel zwaar lichamelijk letsel?
De advocaat-generaal heeft zich in een schriftelijke reactie hierop van 20 november 2024 op het standpunt gesteld dat de verdediging dit verzoek onvoldoende heeft onderbouwd en geen noodzaak te zien tot benoeming van een deskundige en het gerechtshof verzocht dit verzoek af te wijzen.
De opvolgend raadsman van de verdachte, mr. Van Biljouw, heeft op 20 december 2024 schriftelijk aan het gerechtshof meegedeeld de hierboven genoemde onderzoekwens te handhaven en heeft het gerechtshof ook verzocht - op nader in het schriftelijk bericht aangevoerde gronden - om over te gaan tot het horen van vier verbalisanten bij de raadsheer-commissaris.
De advocaat-generaal heeft in een schriftelijke reactie hierop van 25 februari 2025 aan het gerechtshof bericht alleen de noodzaak te zien tot het horen van twee van de vier gevraagde verbalisanten: [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Daarbij heeft hij voorgesteld een aanvullend proces-verbaal door deze verbalisanten op te laten maken.
De raadsheer-commissaris heeft op 4 maart 2025 schriftelijk beslist - bij gebrek aan noodzaak - tot afwijzing van het verzoek tot het benoemen van de door de verdediging verzochte deskundige. Beslist is daarnaast dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zullen worden gehoord.
De raadsheer-commissaris heeft op 10 april 2025 verbalisant [verbalisant 1] en op 2 juli verbalisant [verbalisant 2] gehoord.
Vervolgens heeft overleg met de raadsman plaatsgevonden over het plannen van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op de zitting van 7 november 2025.
Naar aanleiding daarvan heeft de raadsman op 3 september 2025 schriftelijk aan het gerechtshof meegedeeld:
Inmiddels hebben er in deze zaak getuigenverhoren plaatsgevonden. In hoger beroep gaat het met name om de vraag of er sprake is geweest van een poging doodslag. Er zijn natuurlijk camerabeelden, maar de kwaliteit ervan laat naar mijn mening veel ruimte voor interpretatie en de antwoorden welke door de gehoorde verbalisanten zijn gegeven geven wat de verdediging betreft het beeld dat - koste wat het kost - moest worden voorkomen dat cliënt er vandoor zou gaan en er een achtervolgingssituatie zou volgen. In dat licht is het überhaupt de vraag of er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood, maar dat is iets voor een inhoudelijke behandeling. Zoals ik al eerder heb aangekondigd in onderzoekswensen zou er mogelijk worden verzocht om een deskundige te laten rapporteren aangaande het incident, zoals ook is verzocht in de appelschriftuur. In onderhavige zaak heeft er nog geen regiezitting plaatsgevonden waar over dit onderwerp / verzoek is gesproken. Een inhoudelijke behandeling in november 2025 lijkt mij derhalve prematuur, tenzij er in de tussentijd nog een regiebehandeling kan worden gepland zodat ik mijn verzoek nader kan toelichten en uw Hof hierop een beslissing kan nemen.
In reactie hierop heeft het gerechtshof op 8 september 2025 schriftelijk aan de raadsman meegedeeld dat het gerechtshof gebleken is dat de advocaat-generaal zich niet verzet tegen het verzoek van de raadsman tot het houden van een regiezitting, maar dat het gerechtshof voornemens is het verzoek van de raadsman ter zitting van 7 november a.s. te bespreken en niet op voorhand al wenst te bepalen dat een inhoudelijke behandeling achterwege wordt gelaten.
Verzoek tot aanhouding en het verdere verloop
Op 31 oktober 2025 heeft de raadsman het gerechtshof vervolgens schriftelijk verzocht het onderzoek op de zitting van 7 november 2025 alsnog aan te houden, vanwege privé-omstandigheden. De raadsman heeft daarbij voorgesteld de zitting van 7 november 2025 te benutten om te beslissen op de laatste nog hangende onderzoekwens (het benoemen van de deskundige) en aangegeven daartoe een schriftelijk standpunt in te kunnen nemen.
De advocaat-generaal heeft diezelfde dag aangegeven zich hiertegen niet te verzetten en het gerechtshof heeft het verzoek van de raadsman op 3 november 2025 schriftelijk gehonoreerd.
Op 4 november 2025 heeft de raadsman zijn schriftelijke standpunt toegestuurd aan het gerechtshof:
De verdediging heeft bij appelschriftuur verzocht om een getuige-deskundige te
benoemen welke zich zou moeten uitlaten over de situatie op de weg en de mogelijke
(dodelijke) consequenties van de verweten gedragingen aan het adres van client.
Kort en goed is de hamvraag in appel welke handelingen cliënt met het voertuig waarin hij
reed heeft verricht en of hij daarmee voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood
van twee agenten.
De Rechtbank Midden-Nederland is wat de verdediging betreft bijzonder kort door de bocht gegaan en heeft overwogen:
"Het is natuurlijk levensgevaarlijk om bij dit soort snelheden tegen een voorliggende auto aan te rijden. Verbalisanten konden hun voertuig ternauwernood onder controle houden en dat terwijl zij in een speciaal interventievoertuig reden en uit hoofde van hun functie over extra rijvaardigheden beschikten. Een crash op hoge snelheid heeft vaak fatale gevolgen. Bovendien reden er nog andere auto’s in de buurt, waardoor de acties van verdachte extra gevaarlijk waren. Met andere woorden: er was een aanmerkelijke kans dat de opzettelijke aanrijdingen een dodelijke afloop tot gevolg zouden hebben.”
De Rechtbank overweegt klaarblijkelijk dat er geen andere conclusie mogelijk is dan dat er sprake was een aanmerkelijke kans op de dood; ‘natuurlijk'. Het OM heeft in haar requisitoir gesteld dat de gedragingen van client naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op de dood opleveren, een en dezelfde aanvliegroute. De verdediging is het hier niet mee eens omdat client de stellige mening is toegedaan dat er slechts een contactmoment is geweest en dat verbalisanten instuurden in de richting van cliënt, en niet andersom. Tijdens de getuigenverhoren is de verdediging in ieder geval duidelijk geworden - met name op basis van hetgeen [verbalisant 1] , de bestuurder van de SIV, heeft verklaard - dat zij voor het voertuig reden en absoluut wilde voorkomen dat zij werden ingehaald, een achtervolging moest worden voorkomen. Dat wijst er in ieder geval op dat cliënt, zoals hij ook herhaaldelijk heeft verklaard, langs het politievoertuig wilde en deze dus juist niet wilde rammen. Dat is een grote contra-indicatie voor voorwaardelijk opzet, want immers, het insturen op iemand is anders dan iemand willen passeren (en worden afgeblokt) heeft ook effect op de rijrichtingen, die dus - naar de mening van client - niet tegengesteld waren.
Afijn, er zijn ook beelden van het voorval, doch hebben deze wat de verdediging betreft een lage kwaliteit waardoor, mede gelet op het voorgaande, een analyse van een getuige-deskundige noodzakelijk dient te worden geacht om te bepalen wat de rijrichtingen zijn geweest, hoe vaak er contact is geweest, wat de krachtinwerking is geweest. Dit alles om te kunnen beoordelen of cliënt met zijn handelen een zwaar politievoertuig, met een getrainde chauffeur, van de weg te kunnen rijden op een manier die dodelijke gevolgen met zich mee zou kunnen brengen. Een beoordeling van de verkeerssituatie ter plaatse dient daarbij ook in ogenschouw te worden genomen. Immers, een snelweg met meerdere rijbanen, vluchtstroken en een vangrail zijn contra-indicaties voor de aanmerkelijke kans op de dood naar de mening van de verdediging. Een N-weg zonder vluchtstrook, zonder vangrail en bomen langs de weg is bijvoorbeeld - binnen het vraagstuk van de aanmerkelijke kans op de dood - vele malen gevaarlijker. Natuurlijk kan uw Hof die aanmerkelijke kans zelf beoordelen, doch is er in onderhavige zaak sprake van verschillende lezingen/interpretaties van gebeurtenissen. Die onduidelijkheden kunnen worden weggenomen door een analyse van een getuige-deskundige over welke gedragingen er hebben plaats gevonden en welke impact deze zouden hebben kunnen gehad. Die onduidelijkheden wegnemen is noodzakelijk om een oordeel te kunnen vellen over het al dan niet bestaan van een aanmerkelijke kans op de dood van twee agenten.
Daarbij moet worden opgemerkt dat cliënt een forse straf heeft gehad, hetgeen ook aanleiding is geweest om een dergelijk verzoek aan uw Hof voor te leggen (en te herhalen) gezien de omstandigheid dat uw Hof de laatste feitelijke behandeling van de zaak zal doen en het in dat licht van bijzonder groot belang is welke gedragingen er daadwerkelijk hebben plaats gevonden.
Op 5 november 2025 heeft het gerechtshof de advocaat-generaal verzocht om de camerabeelden aan het gerechtshof ter beschikking te stellen.
Op 6 november 2025 heeft de advocaat-generaal - kort gezegd - schriftelijk bericht zich te verzetten tegen benoeming van een deskundige.
Naar aanleiding van het standpunt van de advocaat-generaal heeft de raadsman op
7 november schriftelijk bericht te persisteren ten aanzien van zijn verzoek.
Het verloop van de zitting van 7 november 2025
Op de zitting van 7 november 2025 is de raadsman zoals aangekondigd niet verschenen. Verdachte is wel verschenen. Hij heeft daar verklaard zelf ook nog een aanvullende onderzoekwens te hebben, bestaande uit nader onderzoek naar de door de verbalisanten geloste schoten. Hij heeft hiertoe met name aangevoerd dat de bij de raadsheer-commissaris gehoorde verbalisanten niet juist hebben verklaard over de manier waarop de politie heeft geschoten bij zijn aanhouding. De verdachte heeft verklaard dat de politie direct gericht op hem heeft geschoten en dat daarvoor geen waarschuwingsschot is gelost. Hiervan zou kunnen blijken uit onderzoek naar de vangrail ter plaatse, aangezien de verdachte een kogel heeft horen afketsen op een vangrail.
De voorzitter van het gerechtshof heeft aan de orde gebracht, dat voorafgaand aan de zitting aan de advocaat-generaal is verzocht om de camerabeelden te verstrekken, waarnaar onder meer mr. Van Biljouw verwijst en waarvan melding is gemaakt in het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 13 september 2024. De camerabeelden zijn niet aangetroffen in de processtukken die de rechtbank heeft ingestuurd, terwijl die beelden - zo begrijpt het gerechtshof - wel tot het dossier behoren.
Standpunt van de advocaat -generaal
De advocaat-generaal heeft ter zitting herhaald niet de noodzaak te zien van de door de verdediging verzochte benoeming van een deskundige.
Met betrekking tot de ter zitting geformuleerde onderzoekwens van de verdachte zelf, heeft de advocaat-generaal het standpunt ingenomen dat die onderzoekwens niet is gestaafd door feiten en omstandigheden en dat onvoldoende onderbouwd is wat er zou moeten worden onderzocht en op welke wijze dat onderzoek zou moeten plaatsvinden. Zonder een daarvoor aanwezige noodzaak, verzet zij zich tegen nader onderzoek op dit punt.

Beoordeling door het gerechtshof

Noodzaakcriterium
Op het verzoek tot nader onderzoek door een deskundige is van toepassing het noodzaakcriterium. Het gerechtshof wijst het verzoek af en baseert deze beslissing op de omstandigheid dat het zich op basis van het voorliggende procesdossier voldoende voorgelicht acht om na een inhoudelijke behandeling over de door de raadsman genoemde aspecten van de zaak een oordeel te vellen. Het gerechtshof kan mogelijke vragen en standpunten daarover zelfstandig beoordelen. Mocht na de inhoudelijke behandeling van de zaak toch blijken dat het gerechtshof hierover anders denkt, dan zal het gerechtshof daarover nader beslissen.
Met betrekking tot verdachte’s verzoek tot nader onderzoek naar de bij zijn aanhouding geloste schoten, stelt het gerechtshof om te beginnen vast dat de verdachte bij dit verzoek weinig concreet heeft onderbouwd wat en op welke wijze dat onderzoek zou moeten plaatsvinden. In het voordeel van de verdachte, in verband met de afwezigheid ter zitting van zijn raadsman, begrijpt het gerechtshof het verzoek zo dat de bij de schoten betrokken verbalisanten zouden moeten worden gehoord en dat er daarnaast technisch onderzoek naar de kogelbaan en of inslag van de schoten in de vangrail zou moeten plaatsvinden.
Op beide onderzoekwensen is van toepassing het noodzaakcriterium. Voor zover dat verzoek ziet op het horen van verbalisanten is dat criterium gestoeld op het moment waarop het verzoek is ingediend. Voor zover dat verzoek nader (technisch) onderzoek inhoudt, is dat criterium van toepassing in verband met de aard van het verzoek.
Het gerechtshof wijst beide verzoeken van de verdachte in dit kader af nu de resultaten van dat onderzoek zien op handelingen van verbalisanten die zouden hebben plaatsgevonden
nade aan verdachte ten laste gelegde gedragingen. Zo bezien bestaat er geen noodzaak tot dat onderzoek in verband met de beantwoording van de vragen die volgen ut de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van strafvordering. Daarnaast heeft de verdachte onvoldoende onderbouwd wat er concreet zou moeten worden onderzocht en op welke wijze onderzoek zou moeten plaatsvinden. Onderzoek naar - het gerechtshof begrijpt: een kogelinslag op - een vangrail brengt niet zonder meer mee dat gegevens worden verkregen over de vraag of er al dan niet een waarschuwingsschot is gelost.
Het gerechtshof acht in verband met het horen van verbalisanten in dit kader mede van belang vast te stellen dat de raadsman van de verdachte
nietaan het gerechtshof heeft verzocht om het nader horen van verbalisant(en) over het aspect dat de verdachte op de zitting van 7 november 2025 heeft benoemd. Daartoe is voor hem wél gelegenheid geweest, gelet op het hierboven weergegeven verloop inzake de onderzoekwensen van de verdediging en zijn aanwezigheid bij de voornoemde twee verbalisanten, waar het onderwerp ook aan de orde is geweest.
Het gerechtshof zal de onderzoekwensen van de verdediging en van de verdachte afwijzen.
Het gerechtshof zal (zekerheidshalve) ook de advocaat-generaal opdragen om de camerabeelden te verstrekken.
Gelet op het bovenstaande zal het gerechtshof het onderzoek op de zitting heropenen en vervolgens schorsen, zoals hieronder nader omschreven.

BESLISSING

Het hof:
Wijst af de onderzoekwens van de verdediging.
Wijst af de onderzoekwens van de verdachte.
Geeftde advocaat-generaal
opdracht om de camerabeelden aan het gerechtshof te verstrekken.
Heropent het onderzoek en schorst het onderzoek voor
onbepaalde tijd, zij het maximaal voor de duur van drie maanden. De klemmende reden op grond waarvan het onderzoek niet binnen een maand na heden kan worden hervat is het zittingsrooster van het gerechtshof.
Beveelt de oproeping van de verdachte tegen een nader te bepalen terechtzitting, met tijdige kennisgeving van de datum en het tijdstip van die nadere terechtzitting aan de raadsman en aan de benadeelde partij.
Dit arrest is gewezen door mr. F.E.J. Goffin, mr. A.F. van Kooij en mr. R. Godthelp, in aanwezigheid van de griffier H. Kingma en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 21 november 2025.