ECLI:NL:GHARL:2025:7593

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
24/1082
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijk verklaring van beroep wegens niet tijdig beslissen over bezwaar parkeerbelasting

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 25 november 2025 uitspraak gedaan in een hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland. De Rechtbank had het beroep van belanghebbende tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting niet-ontvankelijk verklaard. De heffingsambtenaar had op 22 november 2022 een naheffingsaanslag opgelegd, waartegen belanghebbende op 21 december 2022 bezwaar maakte. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar op 28 maart 2023 ongegrond. Belanghebbende stelde beroep in wegens niet tijdig beslissen, maar de Rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk. Het Hof oordeelde dat de heffingsambtenaar de uitspraak op bezwaar niet op het juiste adres had verzonden, waardoor de bekendmaking niet correct was. Het Hof oordeelde dat het beroep van belanghebbende alsnog ontvankelijk was en dat de uitspraak op bezwaar gegrond was. Het Hof stelde de dwangsom vast op € 497 en veroordeelde de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.360,50. De uitspraak van de Rechtbank werd gedeeltelijk vernietigd en bevestigd, en het Hof gelastte de heffingsambtenaar het griffierecht te vergoeden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/1082
uitspraakdatum: 25 november 2025
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 17 april 2024, nummer AWB 23/5856, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Zevenaar(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft op 22 november 2022 aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft op 21 december 2022 tegen deze naheffingsaanslag bezwaar gemaakt.
1.3.
Belanghebbende heeft bij brief van 22 februari 2023 de heffingsambtenaar in gebreke gesteld. De heffingsambtenaar heeft deze ingebrekestelling dezelfde dag ontvangen.
1.4.
Op 8 maart 2023 heeft een telefonische hoorzitting plaatsgevonden. Van deze hoorzitting is geen verslag opgemaakt.
1.5.
Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 28 maart 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard en bepaald dat geen dwangsom wordt toegekend, omdat binnen twee weken na 22 februari 2023 is beslist op het bezwaar.
1.6.
Bij brief van 24 april 2023 heeft belanghebbende beroep wegens niet tijdig beslissen ingesteld bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
1.7.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.8.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. P.C. van den Aarsen, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de heffingsambtenaar, [naam1] . De gemachtigde van belanghebbende heeft op zijn verzoek digitaal, via Teams, deelgenomen aan de zitting. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Zowel het bezwaarschrift van 21 december 2022 als de ingebrekestelling van 22 februari 2023 zijn opgemaakt op briefpapier van de gemachtigde van belanghebbende. Onderaan dit briefpapier staan onder andere een e-mailadres, een telefoonnummer en “ [postbusadres] ”. Dit postadres wordt onderaan de pagina op elke volgende bladzijde herhaald. Een ander adres waarnaar (fysieke) post zou kunnen worden verzonden, wordt nergens vermeld.
2.2.
In een uittreksel van de Kamer van Koophandel dat ziet op de gemachtigde van belanghebbende staat als bezoekadres vermeld: “ [bezoekadres] ”. Het uittreksel vermeldt geen postadres. Het uittreksel vermeldt verder: “De onderneming/ organisatie wil niet dat haar adresgegevens worden gebruikt voor ongevraagde postreclame en verkoop aan de deur.”
2.3.
De uitspraak op bezwaar van 28 maart 2023 is door de heffingsambtenaar aangeboden aan “ SBPost ”, welke dienstverlener hem op haar beurt ter verzending heeft aangeboden aan PostNL. Bij de verzending van dit poststuk met daarin de uitspraak op bezwaar (hierna: het poststuk) is het bezoekadres zoals vermeld in het uittreksel van de Kamer van Koophandel gebruikt.
2.4.
Een e-mail van [naam2] van SBPost vermeldt:
“De brief is nadat hij bij ons verwerkt is naar PostNL gegaan voor de bezorging.
(…)
Wat we wel weten is dus dat hij wel verstuurd en verwerkt is bij ons.”
2.5.
De gemachtigde van belanghebbende stelt dat hij het poststuk eerst heeft ontvangen met de op de zaak betrekking hebbende stukken die hij van de Rechtbank heeft ontvangen.
2.6.
De Rechtbank heeft met betrekking tot de ontvangst van het poststuk het volgende overwogen:
“De uitspraak op bezwaar is weliswaar gericht aan het kantooradres van de gemachtigde, maar is niet bij de heffingsambtenaar onbezorgd retour gekomen, zodat de rechtbank het aannemelijk acht dat de uitspraak op bezwaar ook op dat adres is bezorgd en de gemachtigde heeft bereikt.”
De Rechtbank heeft vervolgens, verwijzend naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 maart 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:924), het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet mogelijk is beroep wegens niet tijdig beslissen in te stellen nadat uitspraak op bezwaar is gedaan.

3.Geschil

In geschil is of de Rechtbank terecht het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard, zonder te beslissen omtrent de in de uitspraak op bezwaar opgenomen dwangsombeschikking. Tussen partijen is niet in geschil dat in de uitspraak op bezwaar het bezwaar terecht ongegrond is verklaard.

4.Beoordeling van het geschil

Bekendmaking
4.1.
Op grond van artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt. Bekendmaking geschiedt door toezending aan (de gemachtigde van) belanghebbende. Indien de zending de gemachtigde van belanghebbende niet heeft bereikt en zulks het gevolg is van een fout van het bestuursorgaan (bijvoorbeeld een verkeerde adressering die aan dat bestuursorgaan is te verwijten), kan niet worden gezegd dat bekendmaking op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden (Hoge Raad 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5063).
4.2.
In de regel mag een bestuursorgaan ervan uitgaan dat het adres vermeld op het briefpapier van het bezwaarschrift juist is (Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 24 oktober 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB6318). Het vermelden van een postadres op het briefpapier kan verder worden opgevat als een verzoek correspondentie via dit adres te laten verlopen (overweging 3.3. van de uitspraak van de Hoge Raad van 5 maart 2004). Door dit adres niet te gebruiken, heeft de heffingsambtenaar de uitspraak op bezwaar niet naar het juiste adres - dat wil zeggen, naar het door (de gemachtigde van) belanghebbende bij het bestuursorgaan bekendgemaakte postadres - verzonden.
4.3.
De heffingsambtenaar heeft ter zitting onweersproken gesteld dat deze gemachtigde ook optreedt in andere zaken, dat veelvuldig schriftelijk werd en wordt gecorrespondeerd met deze gemachtigde, dat post door de gemeente altijd naar het bezoekadres van deze gemachtigde wordt gezonden, dat de gemachtigde daar nooit een probleem van heeft gemaakt en dat door deze handelwijze, behoudens deze zaak, nooit problemen zijn ontstaan.
4.4.
Naar het oordeel van het Hof kon de heffingsambtenaar er door deze, onder 4.3 beschreven, bestendige gedragslijn vanuit gaan dat niet alleen het door de gemachtigde vermelde postadres, maar ook het bezoekadres kon worden gebruikt om besluiten bekend te maken. Naar het oordeel van het Hof kon de heffingsambtenaar dan ook de uitspraak op bezwaar bekend maken door het voor verzending naar het bezoekadres ter post aan te bieden.
4.5.
Gelet op de e-mail van SBPost (2.4) acht het Hof aannemelijk dat de uitspraak op bezwaar op 28 maart 2023 aan Post NL is aangeboden en op die dag bekend is gemaakt.
4.6.
Gelet op hetgeen de heffingsambtenaar heeft gesteld omtrent de schriftelijke correspondentie met deze gemachtigde, te weten dat post altijd naar het bezoekadres van de gemachtigde wordt verzonden en dat daardoor nimmer problemen ontstaan, en gelet op de stelling van belanghebbende dat hij dit specifieke poststuk destijds niet heeft ontvangen, acht het Hof het aannemelijk dat de uitspraak op bezwaar de gemachtigde in dit geval niet heeft bereikt. Het Hof vindt steun voor dit oordeel in de omstandigheid dat het beroep binnen zes weken na dagtekening van de uitspraak op bezwaar bij de Rechtbank is ingediend, zodat een termijnoverschrijding geen reden kan zijn geweest voor ontkenning van de ontvangst van de uitspraak op bezwaar. Verder bevat de uitspraak op bezwaar een evidente fout met betrekking tot de dwangsombeschikking (namelijk dat deze is gedaan binnen 14 dagen na ontvangst van de ingebrekestelling) – hetgeen de heffingsambtenaar ter zitting heeft erkend – zodat een regulier beroep gereed lag voor gegrondverklaring. De enkele omstandigheid dat de uitspraak op bezwaar niet onbezorgd retour is gekomen, brengt het Hof ten slotte niet tot een ander oordeel.
4.7.
De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, waarnaar de Rechtbank verwijst, zag op een geval waarin de belanghebbende wist dat uitspraak op bezwaar was gedaan, maar desondanks een beroep niet tijdig indiende bij de rechtbank. In dit geval acht het Hof het echter geloofwaardig dat (de gemachtigde van) belanghebbende ten tijde van het instellen van het beroep in verband met het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift niet wist dat inmiddels uitspraak op bezwaar was gedaan. Naar het oordeel van het Hof zou een rechtstekort ontstaan indien in een dergelijk geval niet de verplichting voor de bestuursrechter zou bestaan het beroep op te vatten als een regulier beroep of om op de voet van artikel 6:20, derde lid, van de Awb het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit mede betrekking te laten hebben op het alsnog genomen (bekend geworden) besluit.
4.8.
Partijen hebben ter zitting het Hof verzocht de zaak zelf af te doen en niet terug te sturen naar de Rechtbank.
4.9.
Gelet op het bovenstaande zal het Hof het beroep niet tijdig opvatten als (mede) gericht tegen de later bekend geworden uitspraak op bezwaar van 28 maart 2023. Niet in geschil is dat het bezwaar terecht ongegrond is verklaard. Op grond van artikel 4:19, van de Awb heeft dit beroep ook betrekking op de beslissing geen dwangsom toe te kennen.
4.10.
De heffingsambtenaar heeft gesteld dat tijdens de hoorzitting is afgesproken dat de gemachtigde twee weken in de gelegenheid werd gesteld bewijsstukken aan te leveren. Naar de mening van de heffingsambtenaar brengt dit een verschuiving van de termijn waarop uitspraak dient te worden gedaan met zich.
4.11.
Het Hof volgt de heffingsambtenaar hierin niet, nu niet is gesteld dat belanghebbende heeft ingestemd met het opschorten van de termijn waarbinnen uitspraak op bezwaar is gedaan. Dit betekent voor de vaststelling van de verschuldigde dwangsom het volgende: 9 maart 2023 (twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling op 22 februari 2023) is de eerste dag waarover een dwangsom werd verschuldigd. De laatste dag was 27 maart 2023, aangezien de uitspraak op bezwaar op 28 maart 2023 tot stand is gekomen en bekend is gemaakt. Dat zijn 19 dagen, zodat de dwangsom (14 x € 23 + 5 x € 35) € 497 bedraagt.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 453,50 voor de kosten in eerste aanleg (1 punt (beroepschrift) x € 907 x wegingsfactor 0,5) en € 907 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift, bijwonen zitting) x wegingsfactor 0,5 x € 907), ofwel in totaal op € 1.360,50.
Verder zal het Hof gelasten dat het voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht door de heffingsambtenaar dient te worden vergoed.

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover is geoordeeld dat het beroep niet tevens betrekking had op de uitspraak op bezwaar van 28 maart 2023,
– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is verklaard,
– verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond,
– verklaart het beroep tegen de dwangsombeschikking gegrond,
– stelt de door de heffingsambtenaar verbeurde dwangsom vast op een bedrag van € 497,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.360,50,
– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 50 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 138 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. A.E. Keulemans en mr. M. Harthoorn, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
De beslissing is op 25 november 2025 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(G.J. van de Lagemaat) (R.A.V. Boxem)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.