In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 25 november 2025 uitspraak gedaan in een hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland. De Rechtbank had het beroep van belanghebbende tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting niet-ontvankelijk verklaard. De heffingsambtenaar had op 22 november 2022 een naheffingsaanslag opgelegd, waartegen belanghebbende op 21 december 2022 bezwaar maakte. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar op 28 maart 2023 ongegrond. Belanghebbende stelde beroep in wegens niet tijdig beslissen, maar de Rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk. Het Hof oordeelde dat de heffingsambtenaar de uitspraak op bezwaar niet op het juiste adres had verzonden, waardoor de bekendmaking niet correct was. Het Hof oordeelde dat het beroep van belanghebbende alsnog ontvankelijk was en dat de uitspraak op bezwaar gegrond was. Het Hof stelde de dwangsom vast op € 497 en veroordeelde de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.360,50. De uitspraak van de Rechtbank werd gedeeltelijk vernietigd en bevestigd, en het Hof gelastte de heffingsambtenaar het griffierecht te vergoeden.