ECLI:NL:GHARL:2025:7641

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
200.351.756
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake de ontvankelijkheid van verzoekster in een geschil over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling van minderjarige kinderen

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 2 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de ontvankelijkheid van verzoekster in een geschil met de moeder van haar kinderen. De vader en de moeder zijn de ouders van twee minderjarige kinderen, geboren in 2018 en 2022, en hebben gezamenlijk het gezag over hen. De vader was eerder getrouwd met verzoekster, die nu in hoger beroep is gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 3 december 2024. Deze beschikking was een tussenbeschikking, waarin de rechtbank had besloten om de behandeling van de zaak aan te houden en de raad voor de kinderbescherming te verzoeken een onderzoek in te stellen naar de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats van de kinderen. Verzoekster heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij als belanghebbende moet worden aangemerkt en heeft verzocht de beschikking te vernietigen. De moeder heeft verweer gevoerd en verzocht de beschikking te bekrachtigen. Het hof heeft geoordeeld dat verzoekster niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep, omdat de beschikking van de rechtbank geen eind- of deelbeschikking is en verzoekster geen verlof heeft verkregen voor het instellen van hoger beroep. Het hof heeft de proceskosten in hoger beroep gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.351.756
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 582168)
beschikking van 2 december 2025
inzake
[verzoekster]
die woont in [woonplaats1]
verder te noemen: [verzoekster]
advocaat: mr. P.H. de Bruin
en
[verweerster]
die woont in [woonplaats2]
verder te noemen: de moeder
advocaat: mr. M.C. van Rijn
Als belanghebbende is aangemerkt:
[belanghebbende]
die woont in [woonplaats3]
verder te noemen: de vader

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 3 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift, ingekomen op 28 februari 2025;
- het verweerschrift van de moeder;
- een journaalbericht van mr. De Bruin van 3 juni 2025;
- een journaalbericht van mr. Van Rijn van 3 juni 2025;
- een journaalbericht van mr. De Bruin van 13 oktober 2025 met bijlagen.
2.2
De op 21 oktober 2025 geplande mondelinge behandeling heeft niet plaatsgevonden.
3. De feiten
3.1
De vader en de moeder hebben een relatie gehad en zij zijn de ouders van [minderjarige1] , geboren [in] 2018, en [minderjarige2] , geboren [in] 2022, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
3.2
De vader is van 2013 tot 2021 getrouwd geweest met [verzoekster] . [minderjarige1] verblijft bij [verzoekster] . [minderjarige2] verblijft bij de moeder.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen de vader en de moeder zijn in geschil de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen (de zorgregeling).
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank – kort gezegd – de beslissing over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling van de kinderen aangehouden en de raad voor de kinderbescherming verzocht te onderzoeken welke zorgregeling en welke beslissing over de hoofdverblijfplaats van de kinderen in hun belang is.
4.2
[verzoekster] is met een aantal grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op de vraag of zij als belanghebbende kan worden aangemerkt in deze zaak. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, haar alsnog te erkennen als belanghebbende in de procedures en onderzoeken betreffende [minderjarige1] , kosten rechtens.
4.3
De moeder voert verweer en zij vraagt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Het hof oordeelt dat [verzoekster] niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep en overweegt als volgt. In de wet is bepaald dat tegen eindbeschikkingen als bedoeld in de wet en behoudens berusting hoger beroep openstaat. Van tussenbeschikkingen kan alleen hoger beroep worden ingesteld tegelijk met de eindbeschikking, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Er is sprake van een eind- of deelbeschikking als daarin uitdrukkelijk wordt beslist op (een deel van) het verzochte waardoor in zoverre aan (een deel van) het geschil een einde wordt gemaakt. Onder een tussenbeschikking wordt verstaan een uitspraak waarin de rechter niet door een uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het verzochte een einde aan het geding heeft gemaakt.
5.2
Het hof stelt vast dat de beschikking van 3 december 2024 geen eindbeschikking en ook geen deelbeschikking is. In het dictum van deze beschikking wordt geen beslissing genomen over enig deel van het verzochte waarmee een einde wordt gemaakt aan (een deel van) het geschil, te weten het verzoek van de moeder te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar zal zijn en dat een zorgregeling wordt vastgesteld. De beslissing van de rechtbank om de behandeling van de zaak aan te houden en de raad te verzoeken een onderzoek in te stellen is een tussenstap om tot een eindbeslissing te kunnen komen. Dit brengt mee dat de beschikking van 3 december 2024 een zuivere tussenbeschikking is waartegen in beginsel geen hoger beroep openstaat. Omdat [verzoekster] geen verlof heeft verkregen van de rechtbank tot het tussentijds instellen van hoger beroep concludeert het hof dat tegen de beschikking van 3 december 2024 geen hoger beroep openstaat. Weliswaar staat onder de beschikking een (standaard)mededeling dat tegen de beschikking hoger beroep kan worden ingesteld, maar uitdrukkelijk ‘- voor zover er definitief is beslist -’. Deze mededeling kan de wettelijke regeling van het hoger beroep dan ook niet opzijzetten. Daarom moet [verzoekster] niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek in hoger beroep.
5.3
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, R. Feunekes en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is op 2 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.