Uitspraak
1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
2.Waar deze zaak over gaat
3.Het oordeel van het hof
het vonnis van de rechtbank (…) te bevestigen, althans de navolgende vorderingen van geïntimeerde toe te wijzen (…)”. Het hof komt tot de conclusie dat in dit geval het petitum zoals [geïntimeerde] dat in hoger beroep heeft geformuleerd een nadere uitwerking is van het oorspronkelijk petitum (zoals opgenomen in de akte wijziging van eis van 20 oktober 2023 van [geïntimeerde] ) dat de rechtbank beoordeeld heeft zodat er geen sprake is van een wijziging van eis. [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling, desgevraagd, bevestigd dat hij dit petitum van [geïntimeerde] ook niet heeft opgevat als een gewijzigde eis. Het hof zal dan ook uitgaan van het petitum zoals [geïntimeerde] dat in hoger beroep heeft geformuleerd.
- Burgerlijke staat: [appellant] heeft het voorafgaand aan/tijdens het sluiten van de koopovereenkomst doen voorkomen alsof hij ongehuwd was, terwijl hij op dat moment in werkelijkheid nog gehuwd was en in scheiding lag;
- Financiële situatie: [appellant] heeft voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst aangegeven dat zijn toenmalige woning nagenoeg verkocht was én dat de financiering voor de koop van de woning al bijna rond was, er zouden alleen nog “puntjes op de i” moeten worden gezet. Dit terwijl de hypotheekaanvraag in werkelijkheid pas op 18 februari 2022 is ingediend.
Uitdrukkelijk deel ik je mede dat ik nog steeds bereid ben mijn huis aan [appellant] te verkopen (...)”. Vervolgens belt [appellant] [geïntimeerde] op 7 april 2022. In de notitie die [geïntimeerde] van dat gesprek heeft gemaakt, schrijft hij onder andere: “
Zodra hij 100% zekerheid heeft, dan weer bij mij terug. Hij wil nog steeds kopen, liefste op korte termijn, géén ontbindende voorwaarde.”
bereidis de woning aan [appellant] te verkopen, niet dat [appellant] de woning
moet afnemen. En op 7 april 2022 spreken partijen over een verkoop zonder voorwaarden, waaruit het hof opmaakt dat partijen een nieuwe overeenkomst voor ogen hadden (in de oude stond namelijk wel een voorwaarde). Voor zover de notitie van 7 april 2022 al geacht moet worden alleen een weergave te bevatten van wat [appellant] heeft gezegd (namelijk ontbinding van de koopovereenkomst van 7 januari 2022 en zo mogelijk een nieuwe koopovereenkomst sluiten zonder ontbindende voorwaarde) en niet [geïntimeerde] instemming daarmee, blijft staan dat het dan op de weg van [geïntimeerde] had gelegen om [appellant] duidelijk te maken dat de oorspronkelijke overeenkomst naar zijn mening niet rechtsgeldig was ontbonden en nog bestond. Maar dat heeft hij niet gedaan. Hij is zonder nader bericht aan [appellant] overgegaan tot verkoop en levering van de woning aan een derde. [geïntimeerde] voert aan dat hij dat wel moest doen, om zijn schade te beperken en dat hij dat pas heeft gedaan toen duidelijk was dat [appellant] niet zou afnemen. Maar op basis waarvan [geïntimeerde] in de periode tussen 7 april 2022, toen [appellant] voor zover bij [geïntimeerde] bekend nog drie trajecten met alternatieve banken had lopen, en de verkoop en levering door hem aan een derde in mei 2022 tot de conclusie is gekomen dat [appellant] niet meer zou afnemen, heeft hij niet concreet gemaakt. In ieder geval is niet komen vast te staan dat hij op dat moment [appellant] heeft gesommeerd de woning alsnog af te nemen. Kennelijk achtte [geïntimeerde] zich al vrij om de woning aan een derde te verkopen én leveren. Gesteld noch gebleken is dat bij de verkoop en levering aan die derde een voorbehoud is gemaakt ten aanzien van een (nog bestaande) koopovereenkomst met [appellant] . Onder deze omstandigheden mocht [appellant] er naar het oordeel van het hof dan ook gerechtvaardigd op vertrouwen dat [geïntimeerde] berustte in het beroep dat [appellant] had gedaan op het financieringsvoorbehoud en daarmee de ontbinding van de overeenkomst.
ten minste één goed onderbouwde schriftelijke afwijzing van een geldverstrekkende instelling” aan de verkopend makelaar verzenden. De afwijzingsbrief van ING van 28 maart, die aan de makelaar van [geïntimeerde] is gestuurd, bevat geen nadere onderbouwing van de afwijzing maar verwijst voor meer informatie naar de hypotheekadviseur. Vaststaat dat [geïntimeerde] op 29 maart 2022 contact heeft gehad met de hypotheekadviseur van [appellant] . Uit de telefoonnotitie die [geïntimeerde] daar zelf van heeft gemaakt, volgt dat de hypotheekadviseur heeft toegelicht waarom ING de hypotheekaanvraag heeft afgewezen. Namelijk omdat i) volgens ING geen sprake is van bestendigheid bij het inkomen van [appellant] en grote verliezen bij zijn ondernemingen Hygeniq, ii) de cijfers van Hygeniq en haar holding nog niet klaar waren, en iii) [appellant] nog getrouwd was met zijn tweede vrouw en bij verkoop van zijn huis een groot bedrag naar zijn vrouw gaat. Ook staat in [geïntimeerde] notitie hoe de financiering die [appellant] bij een andere bank gaat aanvragen is opgebouwd (“
70% financiering, € 600.000,- erin zonder verbouwing”). In de notitie die [geïntimeerde] maakt van het telefoongesprek dat hij op 7 april 2022 heeft met [appellant] , schrijft hij dat ING bank is afgeknapt omdat [appellant] geen bestendigheid in inkomen heeft als zijn bedrijf in de verkoop gaat. Ook staat daarin dat [appellant] drie trajecten met alternatieve banken heeft lopen. Op 17 mei 2022 is er verder telefonisch contact tussen partijen, waarin [appellant] zegt dat hij niets kan omdat de scheiding nog niet is uitgesproken. Gelet hierop is het hof van oordeel dat [appellant] ook aan (de ratio van) de documentatieplicht heeft voldaan. [geïntimeerde] wist waarom ING de hypotheek aan [appellant] had geweigerd. Tijdens de beide mondelinge behandelingen bij het hof heeft [geïntimeerde] ook desgevraagd bevestigd dat voor hem volstrekt helder was dat [geïntimeerde] daadwerkelijk geen hypotheek kon krijgen.
4.De beslissing
€ 1.880,-)